Preek 10 september 2017

Lezen: Genesis 17: 1 – 8, Joh. 8: 30-36, Galaten 5: 1 – 6

Tekst: Johannes 8: 36 “Dus wanneer de Zoon u vrij zal maken, zult u werkelijk vrij zijn”

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Dit jaar staan veel kerken stil bij de viering van 500 jaar Hervorming, 500 jaar Reformatie. En in tal van bijeenkomsten klinken woorden als rechtvaardiging en vrijheid. Want daar ging het Luther en die andere hervormers toch ten diepste om. Om geloof dat je aangereikt wordt en om vrijheid die je daarin toevalt. Vrijheid om het goede te kunnen doen.

Vanmorgen een tekst waarin Jezus ons zegt dat hij ons werkelijk vrij wil maken. Wat betekent dat?

Laten we eerst eens kijken wat we doorgaans onder vrijheid verstaan. Welke beleving hebben we erbij?

Vrij zijn – u weet dat – is het tegendeel van gebonden zijn. In vrijheid leven – zoals wij mogen doen in het grootste deel van Europa – dat is, dat je als individueel persoon zelf je keuzes mag maken. Dat is een groot goed. En natuurlijk zijn we er steeds meer achter gekomen, dat je die vrijheid niet grenzeloos is. Je mag er bijvoorbeeld de vrijheid van de ander niet mee in de weg staan. Ieder is vrij om te kiezen, ook of je gelooft of niet en wie of wat je gelooft. Het zit is bij ons diep in, gelukkig.

De alleroudsten onder u hebben uit eigen ervaring beleefd hoe het is niet vrij te zijn. Een bezetter die je land in bezit neemt en die ook nog probeert je geweten in beslag te nemen. Dáárom ging het immers. Bevrijding betekent: dáarvan losgemaakt worden – als volk en als individu weer zelf kiezen. Geen beknelling meer, geen dwang meer, geen opgelegd druk meer.

Vrijheid tegenover gebondenheid. Verzet tegen onderdrukking. De wereld is er vol van – van de omwisseling van het één door het ander. Als daar geen nieuws over was, zouden de tv-journaals gemiddeld allemaal veel korter zijn.

In het groot weten we er alles van – van die vrijheid die zo broodnodig is. Maar ook heel in het klein weten we ervan –  wat kan het heerlijk zijn – een vrij weekend, van werk of school – na een week ingespannen gewerkt te hebben. Heerlijk, zo’n vrij weekend of zo’n vrije vakantieweek: ook al doe je van alles en nog wat, toch heerlijk – even geen dwang – even geen dingen tegen je zin doen misschien – zelf weten wat je doet.

Vrijheid heeft alles te maken met ongebondenheid, los van wat je knelde, weg van wat je onder druk zette.

Die voorstelling over vrijheid moeten ook de Joden hebben gehad toen ze verbaasd en geïrriteerd op Jezus’ woorden reageerden. Jezus suggereerde, dat ze niet vrij zouden zijn. Jezus wekte de indruk dat ze afhankelijk waren. Nou, dat had Jezus dan toch wel bij het verkeerde eind, vonden ze. Daarin zat Jezus toch wel goed mis, zeiden ze. Je hoort het ze zeggen: natuurlijk Jezus, wij weten ook wel, de Romeinen zijn er – en dat is niet zo gemakkelijk. Als u een al te politieke invulling geeft aan die vrijheid, ja, dan moeten we wel toegeven dat we niet helemaal vrij zijn. Maar in het geloof gaat het toch om iets veel omvattenders? In het geloof gaat het toch om je hart, om je innerlijk – om dat waar de politiek en onze maatschappelijke systemen uiteindelijk geen vat op kunnen krijgen? En het gaat u, Jezus, toch om wat in ons leven centraal staat? Om waarop het aankomt in leven en in sterven? Nou, precies: wij zijn toch kinderen van Abraham – kinderen van de belofte? Wij maken deel uit van Gods volk. Wij zijn daarom toch al vrij? En u weet toch ook wel, dat we besneden zijn? Zelfs lichamelijk dragen we de sporen van ons geloof.

Gemeente van onze Here Jezus Christus, de reactie van de Joden brengt ons niet op een verschil tussen Joden en Christenen. Het punt is niet dat de Joden geweigerd zouden hebben zich tot Jezus te bekeren, terwijl de Christenen nu juist wel het heil van God in Jezus verwachten. Dit kan natuurlijk nooit tot inhoud van onze verkondiging worden gemaakt.

Het gaat in deze reactie van de Joden, zoals Johannes die beschrijft, om een algemene menselijke reactie op Gods liefde en heil. Een reactie die ons allemaal in het bloed zit. Een reactie die we als gelovigen keer op keer hebben als we Jezus’ woorden horen.

Abrahams nageslacht zijn, tot het uitverkoren volk behoren, dat zegt niks. Tot de kerk behoren, groot gebracht zijn in de christelijke traditie – met z’n eigen normen en waarden. Het zegt op zichzelf niets. In feite heeft dat niks te betekenen.

Paulus wist dat, toen hij schreef: “ In Christus Jezus is het volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden is. Belangrijk is dat men gelooft en de liefde kent, die het geloof zijn kracht verleent”.

Luther wist dat, toen hij preekte over de tekst van vanmorgen: “Het zegt onze God niks, of je zegt, dat je op de apostolische stoel zit of dat je in de christelijke kerk bent, maar het gaat Hem erom, dat je de Zoon hoort en in Hem gelooft”.

Waar het om gaat het, gemeente, is: horen we in de woorden van liefde en heil écht woorden die niet uit onszelf komen? Horen we woorden van de andere kant – van de overzijde – woorden van bevrijding? Bevrijding uit denkbeelden die ons beknellen. Uit voorstellingen die wellicht achterhaald zijn? Bevrijding ook uit een leven dat om zichzelf draait misschien? Als we onze traditie ter sprake brengen, met woorden als rechtvaardiging, genade en bekering – oude woorden, ik weet het – maar woorden die in feite synoniem zijn met het woord bevrijding – horen we daarin dan de stem van de God van ons leven?

Als we in de kerk zijn: bidden, zingen, luisteren – horen we dan wel echt woorden van God van de andere kant – woorden die ons toeroepen ook al spreken we ze zelf uit – woorden die ons uitnodigen ook al is het onze eigen stem?

Als we met elkaar spreken over het geloof, waar beroepen we ons dan op? Op hoe het vroeger was? En hebben we het dan over het waardevolle in de kerk dat vooral niet verloren mag gaan of vergeten mag worden? Ik zou me dat voor kunnen stellen. En ik zeg niet dat dit zonder betekenis is. Maar het gaat om iets anders: om een levende waarheid. Een levend geloof. Een geloof dat nú vandaag als waardevol en eerlijk wordt ervaren.

Een traditie, al is die 2000 of 500 jaar oud, een traditie die alleen maar herhaald wordt, die herhaalt tenslotte alleen nog maar zichzelf. Een kerk die in haar spreken over God alleen nog maar zorg heeft om haar eigen voortbestaan, die zal vroeg of laat merken alleen nog maar zichzelf na te spreken.

Denken dat onze vrijheid als een vanzelfsprekendheid binnen in ons bestaan zelf ligt  – er vanuit gaan dat God vanzelfsprekend aan onze kant staat – “Hij is toch onze God en wij zijn toch zijn kinderen” – dat is in feite en ten diepste geen vrijheid, maar ónvrijheid. Immers, dat betekent gebondenheid aan onze eigen grenzen – gevangen binnen onze eigen idealen én zorgen.

Als Jezus ons toeroept: Ik ben de weg en de waarheid en het leven – dan is meteen duidelijk dat er van een ándere weg, van een ándere waarheid, en van een ándere toegang tot het leven dan die Hij geeft, geen sprake kan zijn.

“Wanneer u bij mijn woord blijft, bent u werkelijk mijn leerlingen. U zult de waarheid kennen en de waarheid zal u bevrijden.”

Bij Jezus’ woord blijven – dat betekent: blijven in zijn bevrijding – blijven in de ruimte die hij ons biedt. In Jezus’ woorden blijven, dat zijn die woorden die Paulus spreekt: “Belangrijk is dat men gelooft en die liefde kent, die het geloof zijn kracht verleent”(Gal. 5:6).

Woorden van Jezus:

Dat zijn niet de woorden van staatslieden, die uitgaan van het recht van de sterkste; niet de woorden van reclames, die uitgaan van de rijksten en de mooisten; niet de woorden van cynici, die zeggen, dat er morgen toch niets verandert.

Blijf bij mijn woorden, zegt Jezus tegen de Joden die in hem geloofden. Woorden die geen slogan zijn God is liefde, maar worden die zeggen, dicht aan je hart: God heeft je lief, God houdt van je. Je leven is in zijn handen.

Bij Jezus’ woorden blijven, als je dat doet, als je bij jezelf vandaan durft te gaan, je niet meer blind staren op je eigen grenzen, niet gefixeerd blijven op wat er in je leven mis is gegaan.

Als je dat doet, zegt Jezus, blijven in mijn woorden waarin ik gesproken heb over water voor het leven en licht voor de wereld – dan zul je de waarheid kennen – dat wil zeggen: dan zul je ontdekken waarop het in je leven aankomt, als levende kennis die je de ogen opent om echt vrij te zijn.

 

Gemeente, alle grote momenten van ons leven hebben we niet in eigen hand: we worden geboren, we worden gedoopt, we worden verliefd, we worden, aan het einde van ons leven, weggenomen tot God.

Zo is het ook met vrijheid. Die héb je niet – als een soort bezit. Waarover je kunt beschikken of waarop je kunt teren, ook niet als je je koestert in de christelijke traditie.

Vrijheid kun je niet hebben – en zeker niet houden. Vrijheid, dat is bevrijd zijn. Sterker: dat is bevrijd worden. Telkens weer. Dan weer in je eentje, als individuele gelovige – dan weer als gemeente, met elkaar.

Bevrijd worden: dat wil zeggen, je door God aangeraakt weten – je door God opgetild weten om neergezet te worden op die wonderlijke bevrijdingsweg van Zijn liefde – een weg die op de kaart van de bijbel heet: weg van Jezus van Nazareth – weg van navolging.

Een weg die elke generatie gelovigen opnieuw moet gaan – langs heel verschillende plaatsen, onder heel andere omstandigheden – in een ander tempo ook. Een andere weg als we letten op de plaatsen, de omstandigheden en het tempo. Dezelfde weg als we letten op de richting, namelijk blijven bij Jezus’ woorden.

Jezus’ woorden van ontferming en barmhartigheid – van hoop en van toekomst – van liefde en van zelfverloochening – wie bij die woorden blijft, die zal werkelijk vrij zijn. Het zijn woorden die erom vragen niet alleen herhaald te worden, maar ook en vooral: opnieuwd gespeld, opnieuw vertaald en opnieuw gesproken. Elke generatie opnieuw. Niets waarborgt onze vrijheid, onze toekomst en ons geluk. Geen macht te wereld, geen kerk, geen traditie, al is die nog zo oud en imponerend. Eén is er die vrijmaakt opdat we werkelijk vrij zijn. Jezus heet hij, als God onder de mensen.

Als gelovigen horen we niet bij God omdat we als Jood geboren zijn of als Christen gedoopt zijn. Dát maakt niet vrij.

Werkelijk vrij zijn we als we door Christus ons laten bevrijden uit ons verleden, uit wat ons tot bezit is geworden – ook in geestelijk opzicht – uit wat ons in de weg zit om de levende woorden van Jezus te horen en te ervaren.

Bevrijd worden – dat is niet spectaculair, niet groots, niet zichtbaar voor het oog van een ieder, maar is wel waar: een waarheid die we niet vatten kunnen, maar die óns omvat. Heel gewoon, heel verborgen soms ook: door te blijven bij Jezus’ woorden. Woorden die nooit vanzelf, maar die steeds weer van Jezus spreken. Woorden van geloof, hoop en liefde. Amen