Preek 20 november 2016

Bij psalm 56 en het verhaal van de tranenkruikjes

 

Misschien kent u het gedicht ‘Steen’ van Maria Vasalis:

‘Verdriet kit al mijn krachten samen, zodat ik roerloos word als steen.
Mijn hele wezen wordt materie, een ondoordringbaar star mysterie,
o sla de rots, opdat ik ween.’

Wenen, huilen, (schreien zeggen ze zo mooi in Vlaanderen) tranen laten komen, zijn bij verdriet blijkbaar van belangrijke betekenis. Zodat wat zo hard als steen is geworden, weer zacht en raakbaar wordt. Het is van roerloos weer ontroerd kunnen worden. Want verdriet dat te lang geen uitweg vindt, gaat vastzitten, geeft verstarring.

Tranen zijn een gave, ze luchten op en geven ruimte.

Er zijn een paar theologen die prachtig over de gave van de tranen hebben geschreven. In de RK liturgie schijnt zelfs de bede om de gave van de tranen te zijn opgenomen.

De ene theoloog die erover schreef is Dorothee Sölle. Zij schrijft  in haar boek ‘Tegenwind’: Tranen hebben een bevrijdende en reinigende kracht. Ze schrijft, “omdat er in onze cultuur niet mag worden gehuild, hebben we ook afstand gedaan van de reinigende en troostende kracht, die de christelijke traditie aan tranen toeschrijft.”  In een omgeving waar tranen niet gewenst zijn is geen plaats voor expressie en gevoel. Ten diepste ontkent een gevoelsonbekwame cultuur de behoefte aan de Geest die troost en tot waarheid leidt. Zoals over de gave van de Geest wordt gesproken als over een Trooster. Verdriet, tranen, troost en de Geest die tot waarheid leidt zijn met elkaar verbonden. Waar geen uiting gegeven kan worden aan verdriet, waar voor troost geen plaats is, waar het leven in stoere flinkheid geleefd moet worden, is geen ruimte voor de Geest.

 Ik was ooit bij iemand op bezoek die vertelde dat ze te horen had gekregen dat ze kanker had. Ik ben naar boven gegaan, zei ze, en ik heb 1,5 uur gehuild. Daarna ben ik opgestaan en heb besloten om verder te gaan, kome wat komt… Die 1,5 uur huilen waren kostbaar, nodig om te rouwen en het verdriet te laten stromen, en toen kon ze weer kracht verzamelen voor de toekomst.

De andere theoloog is Pater Jan van Kilsdonk. Hij heeft ook geschreven over de gave van de tranen. Tranen schreien heeft eigenlijk altijd iets religieus, zegt hij, iets heiligs. Het appelleert zo sterk dat er niet aan voorbij te gaan is. Tranen zijn geschenk, ze komen uit de hoogte, uit de diepte, als een genade, als een charisma, een geestesgave in bijbelse zin, als water waaruit de ziel wordt herboren.

 Ik vind het kostbaar om dit zo te lezen. Omdat ik dat van die gevoelsonbekwame cultuur wel herken. En omdat ik vaak hoor dat mensen die iemand verloren hebben aan de dood, het gevoel hebben dat ze zo snel weer door moeten van hun omgeving. Dat ze in elk geval niet de ruimte voelen om lang te mogen blijven huilen. En er zullen ook rouwenden zijn die het zelf moeilijk vinden om tranen te laten komen, misschien uit angst dat ze dan in hun verdriet zullen verdrinken. Of omdat je flink moet zijn en door moet van jezelf. Het is wel waar dat je niet in tranen van zelfmedelijden moet blijven hangen, maar echte tranen van verdriet zijn reinigend en genezend. Ze geven ruimte om weer verder te kunnen. Ze  luchten op.

 In de lezingen hoorden we ook over de kostbaarheid van tranen. Dat je alleen maar kunt troosten als je zelf weet wat tranen zijn, zoals het meisje moest leren.

Er zijn allerlei soorten tranen. Tranen van teleurstelling, tranen van gekwetste trots, machteloosheid, eenzaamheid, angst, pijn en boosheid. Maar ook van geluk, ontroering, opluchting en blijdschap. En dus uiteindelijk die van het diepste verdriet. Van verdriet om de ander. Dan pas weet je hoe je een ander kunt troosten, zegt het tranenvrouwtje. Ik denk dat ze gelijk heeft.

Het beeld van de kruik dat ook voorkomt in psalm 56, zegt iets over het bewaren van tranen.

Bewaren heeft te maken met gedenken, met niet vergeten. God bewaart onze tranen, hij vergeet ze niet, hij koestert ze. Niet op de manier van: blijf jij maar in je verdriet, maar hij ziet onze tranen, onze kwetsbaarheid. Die hoeven we niet te verbergen, ons ervoor te schamen, ze snel af te drogen of sorry te zeggen. Tranen zijn kostbaar, ze willen worden omgevormd tot een ketting van prachtige kralen.

 Tot slot nog een citaat van Pater Jan van Kilsdonk dat ik prachtig vind:

Tranen worden je geschonken door ieder mens die jou aanziet als Christus. Zodra een mens je aanziet met die eerbied van hem, met die erkenning van hem, met die tederheid van hem, beginnen als vanzelf je masker, en al je verstarring te smelten, worden je ogen vochtig en willen zij zacht en hevig gaan schreien.

Als je hebt geschreid, is het niet eens nodig om er haast mee te maken de rode vlekken rond de oogleden weg te werken, het is net alsof de ogen vanzelf een verhoogde glans, een lichtglans van ontspanning en tederheid krijgen, nadat al die tranen hebben mogen stromen.

Want de ontboezeming van de tranen geeft vrijheid, adem, een genezende kans.

Zoals God de tranen als een gave schonk, zo vangt Hij ze weer op in zijn kruik.

‘Doe mijn tranen in uw kruik, zijn zij niet in uw boek’, bidt psalm 56. Onze tranen verzameld, geschreven en snik na snik gelezen. God is zelf de kruik, zou je kunnen zeggen, een kruik voor de tranen die Hij geeft.

Hij heeft geen scheppender werk te verrichten dan een mens te zijn, ja geen ander te zijn dan de lieve mens die aan jouw zijde zwijgen, luisteren en meedragen kan, die jouw gezicht tot de vrijheid van de tranen ontroert.