Preek 28 augustus 2016

Psalm 13, Mattheus 15: 21 – 28 (tekst), Romeinen 9: 30 – 33

Gemeente van onze Heer,

We herkennen in het verhaal van vanmorgen de oerkreet van de christelijke gemeente als deze om ontferming roept. Elke zondagmorgen doen we dat, als we bidden voor de nood van de wereld: Heer, ontferm u over ons. Kyrie eleison. Heer kom ons te hulp. Ontferm u over onze wereld. En wat zien we hier in dit verhaal? Niet een God die klaar staat om gehoor te geven aan deze bede, maar een God die niet eens luisteren wil.

Jezus die doof is voor een heidense vrouw die om hulp roept. Jezus die werkelijk vindt dat hij zich uitsluitend op Israel moet richten en de rest, de anderen daarbuiten, die interesseren hem niet. Dachten wij Jezus te kennen als die van God gezonden mens die altijd klaar staat, voor wie niets teveel is om het leed van mensen te lenigen, die zoveel ruimdenkender is dan zijn discipelen, die met zoveel ontferming bewogen is over die naamloze schare, deze Jezus houdt zich doof.

Hij zwijgt. Hij geeft niet thuis. Hij heeft taal noch teken. Het is voor de vrouw uit Kanaän roepen als tegen een muur. Het is schreeuwen als tegen een berg. Niets beweegt. Geen sprankje hoop doet zich gelden. En een bange herkenning bekruipt ons.

God die zich hult in negatie. God die net doet alsof er niets aan de hand is. God die er het zwijgen toe doet. Niet zo maar, en niet maar even. Nee, een ijzige stilte. God, die op oneindige afstand zijn schepping voor gezien houdt. God die zijn schepselen laat waar en voor wat ze zijn. In wanhoop. Met een dochter die vreselijk gekweld wordt door een demon – van de duivel bezeten heet dat. Een  leven, dat op zijn kop staat. Een mens die platgeslagen is door pijn en verdriet, lijden dat eindeloos is. Heb medelijden Heer. Voor wie van ons is deze situatie niet herkenbaar, is het niet in je eigen leven, dan toch zeker in dat van anderen? God, we roepen u toch niet voor niets elke zondagmorgen toe: kyrie eleison? Heer, ontferm u?

En Jezus, hij lijkt niet te zwijgen. Nee, hij zwijgt echt. Het gaat hem niet aan. De vrouw niet. De dochter niet. En we herkennen ze. Die beiden. Van God en allemens verlaten. Stilte. Doodse stilte. Om er je geloof bij te verliezen. Weg hoop. Weg verwachting. Het licht op de vlucht en de duisternis op je hielen.

Heer, Zoon van David. Heb medelijden met mij. God van Israël, hoor ons. Antwoord ons. Maar… geen woord. Geen enkele reactie. Geen beweging. Alleen maar stilte en leegte.

De discipelen, die kunnen daar niet tegen. Die kunnen dat ijzige zwijgen niet verdragen. En hoe lijken ze daarmee op de kerk van later, op onze kerk van nu. Hoe meer God zwijgt, hoe meer de kerk praat. Want wat moet je met een zwijgende God. Hoe redt je het met een God die niet geïnteresseerd lijkt in wat er in onze wereld omgaat? Wat voor vragen roept dat niet op? En wat voor reacties van schamperheid? Voor zo’n God zou je je toch schamen? En daarom, Jezus, stuur haar toch weg, anders blijft ze maar achter ons aan schreeuwen. Laat ze toch ophouden met ons belachelijk te maken. Laten de mensen die het zwijgen van God aan de kaak stellen, hun mond houden. De leerlingen van Jezus weten er weg mee: aan de kant met die vrouwen en mannen en kinderen die in hun wanhopig roepen een beroep doen op Gods barmhartigheid. Kyrie eleison. Dat had je gedacht , vrouw uit Kanaän. Nee, dat gaat zomaar niet.

 

Heer, zend haar weg, zeggen de discipelen. De vrouw geeft hen een onbehaaglijk gevoel. Daar houden ze niet van. Van die confrontatie tussen het zwijgen van Jezus en het roepen van de vrouw. Stuur haar weg, opdat we ongestoord de weg met u kunnen vervolgen. Stuur haar toch weg. Ze moet haar plaats weten. U, Jezus, bent er nu eenmaal niet voor iedereen. U kunt nu eenmaal niet aan alles wat doen. De duivel is er immers ook nog. En dat zeker in gebieden waar men van God noch gebod wil weten. Kanaän.  De omgeving van Tyrus en Sidon. Of all places. Ja, inderdaad, de wereld is er vol van, van die plaatsen waar het kwaad het voor het zeggen heeft. Jammer dan voor deze vrouw, met haar dochter, zo vinden de discipelen. Maar, zo lijken de discipelen te denken, het is nu eenmaal niet anders. Jezus, stuur haar toch weg. Haar gekerm komt ons te na.

En nu Jezus. Het is alsof zijn zwijgen zich verdiept heeft. Geen ontwijkend antwoord, maar een keiharde bevestiging van de exclusiviteit van zijn evangelie. Een onthullende inkijk in de begrenzing van zijn heilzame aanwezigheid. Wandelen in Tyrus en Sidon. Dat gaat heel goed. Maar je iets aantrekken van wat daar gebeurt? Dat blijkt iets heel anders. De lijnen zijn getrokken. De vrouw en haar dochter vallen daarbuiten. De duivel weet zijn plaats. Kanaän heet zijn plek, ter grootte van de wereld. “”Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van Israël.” Jezus kent zijn opdracht. Hij kent ook de achtergrond ervan. Abraham, Izak en Jacob, David en de profeten. Een geschiedenis van geloof en ongeloof. Van toenadering en verwijdering. Maar nooit had God het opgegeven. Israël, ik heb u uitgekozen, ik heb u verkoren. Jullie zijn van mij. Jullie behoren mij toe. Niets en niemand komt daar meer tussen.

Verkiezing heet dat. En voor willekeur is geen plaats. De hele bijbel door, van de wet tot de profeten tot aan het evangelie van Mattheus toe, is het duidelijk: wie God zegt die zegt Israël. Wie Jezus zegt, die zegt Jood. God en het volk Israël. Werkelijk onlosmakelijk zijn ze. En Jezus maakt klip en klaar duidelijk: wie daar buiten staat is buitenstaander en die blijft buitenstaander.

Gods heil gaat aan de vrouw voorbij. Zij heeft het nakijken waar het gaat om Gods barmhartigheid. En alweer: hoe velen onder ons herkennen dat niet? Dat gevoel van: waar het geluk uitgedeeld wordt, daar ik altijd achteraan. Die ervaring van: waar het ongeluk zich breed maakt, daar ben ik altijd te laat weg. Dat verdrietige vermoeden van: God, ach wat heeft Hij mij nog te zeggen. Maar ja, zo vertelt het verhaal van Mattheus: logisch toch eigenlijk ook. Voor God zijn andere mensen, zijn andere zaken belangrijk. En Jezus, die is gekomen voor zijn eigen volk. Zo zou de vrouw moeten denken, vinden de leerlingen, vindt ook Jezus. Haar kyrie eleison komt van buiten en blijft buiten. Aan haar heeft Jezus geen boodschap. En het hele Oude Testament geeft hem gelijk. En het verhaal  van Mattheus ook. Jezus scherpt deze lijn zelfs nog aan.

“Het is niet goed om de kinderen hun brood af te nemen en het aan de honden te voeren”. Gods heil is bestemd voor Israël. De Naam JHWH “Ik ben die Ik ben”, de wet van Mozes, het verbond, de toekomstvisioenen van de profeten, het is alles en alleen voor Israël. Jezus houdt dit keihard overeind. En zijn bewoordingen laten geen enkele ruimte voor een andere interpretatie. Jezus is gekomen om het volk van het verbond nu eens en voor goed te binden aan Gods hart. En daar komt niets en niemand meet tussen. Exclusief. Het spijt me moeder, voor jou ben ik niet gekomen.

 

Aan Kanaän heeft Jezus geen boodschap. Gods kinderen wonen in Israël. Het kyrie eleison stuit af op pure onwil van Jezus. Here, help mij. …. Maar Jezus antwoord: voor u ben ik er niet. Mijn heil heb ik aan anderen gegeven.

 

En nu de vrouw. Zij spreekt Jezus niet tegen. Ze bestrijdt zijn woorden niet. Integendeel, zij legt zich neer bij de strekking van wat Jezus zegt. Dat wil zeggen: dat Hij er voor Israël is. Dat waagt ze niet te betwisten. Dat zij zo. Klaar en duidelijk.

Maar dat wil toch niet zeggen, dat daarmee het verhaal verteld is? Dat wil toch niet zeggen, dat daarmee het verhaal van God uit is? Heer, zoon van David, ik ben er ook nog. Mijn dochter is er ook nog. Al zijn wij dan niet de eerst uitverkorenen, daarom behoeven we toch niet verworpen te worden. Als is uw licht dan niet bij ons opgegaan, daarom hoeven we toch niet altijd in het duister te leven?

En Jezus? Wat doet Jezus?……… Hij zwicht. Hij geeft zich gewonnen. Jezus blijkt kwetsbaar. Tegen de Farizeeën en Schriftgeleerden kan hij op. Hele disputen houdt hij met ze. Zoals – in het stuk van Mattheus, dat aan onze lezing voorafgaat – over het verschil tussen rein en onrein. Tegen mensen die met hem in debat gaan, tegen mensen die gelijk willen hebben. Daartegen blijft Jezus staande, zonder ook maar een ogenblik in het nauw te worden gebracht.

In de debatten met de Schriftgeleerden en de Farizeeën is hij zozeer oppermachtig, dat ze hem tenslotte vaak niets meer durven vragen. Afdruipen is dan vaak nog het enige wat ze kunnen doen.

Maar hier, hier staat een vrouw voor Jezus die het niet gaat om haar gelijk, maar die het gaat om haar heil, en dat van haar dochter. Voor zo’n mens zwicht Jezus. Aan zo’n mens geeft hij zich gewonnen. Jezus herkent zich in de spiegel die de vrouw hem voorhoudt. De farizeeën,  de Schriftgeleerden, de leiders van het Joodse volk, voortdurend zijn ze met Jezus in debat en ze blijven daarin zelf buiten schot. En Jezus, ook hij blijft dan op afstand.  Niet te vermurwen is hij als ze met hem redetwisten. Maar deze vrouw, ze begint er niet eens aan Jezus te overtuigen van zijn ongelijk. Ze begint heel ergens anders. Ze begint met de roep: Zoon van David. Heb medelijden met mij. Zie naar ons om.

En daar kan Gods zoon niet tegenop. Daaraan geeft God in Jezus zich gewonnen. Het kyrie eleison van de heidense vrouw is de meest directe toegang tot het hart van God. Wie zijn geloof wil vestigen op redeneringen, op disputen, op gelijk hebben of gelijk krijgen. Op Jezus valt daarin niet te rekenen. Maar wie niets anders heeft te zeggen dan de roep om Gods barmhartigheid, die zal barmhartigheid geschieden.

We horen hierin meeklinken de stem van Abraham in zijn tweegesprek met God over de redding van Sodom. En we horen Jacob in zijn nachtelijke worsteling: “Here, ik laat u niet gaan, tenzij Gij mij zegent”. En we horen die weduwe uit het Lukasevangelie, die bij de rechter zo aanhoudt dat deze haar tenslotte wel recht móet verschaffen.

En we horen de Geest, zoals Paulus in zijn brief aan de Romeinen, voor ons pleiten met woordloze zuchten. Het gebed van de Geest, geboren op Pinksterfeest, als het ultieme beroep op God zelf. En wie vraagt om brood, aan haar, aan hem zal toch geen steen gegeven worden?

Kort nu nog die vraag wat betreft de verhouding tussen het volk van Israël en de andere volken. Voor mij maakt de boodschap van vanmorgen hier korte metten mee. In het verhaal van Mattheus wordt die vraag overstegen doordat ze uit het debat wordt gehaald en onder het beslag wordt gebracht van het evangelie. Jezus maakt duidelijk, dat God zijn  volk niet tegen een ander volk inruilt. In het Koninkrijk van God gaat het anders toe. In Jezus radicaliseert God zijn genade, en dat is Zijn manier om aan de verkiezing vast te houden. Zijn barmhartigheid doorbreekt grenzen.

Terug nu naar het verhaal van de vrouw uit Kanaän. Waar zij zich niet neerlegt bij het zwijgen van Jezus, waar zij hem dwingt te antwoorden en waar zij dit antwoord toespitst op zichzelf, daar geeft Jezus zich gewonnen. En meer dan dat: Vrouw, u hebt een groot geloof. Wat u verlangt, dat zal ook gebeuren. En vanaf dat moment was haar dochter genezen. Een wonder, als de ontknoping van dit verhaal. Maar vraag niet wat er allemaal aan voorafging: geen beschouwing, geen formules, geen gelijk of ongelijk. Maar een roep: Zoon van David, heb medelijden met mij.

Het zoveelste wonder, zo lijkt het. De evangeliën zijn er vol van. En zo eindigt ook deze geschiedenis toch eindelijk weer zoals zovele verhalen in het de evangeliën. Met een wonder.

Nou, dan toch nog één vraag gemeente.  Wat denkt u, om welk wonder gaat het eigenlijk in dit verhaal? Om die genezing? Om het wonder dat de duivel uitgedreven wordt? Of … of gaat het eigenlijk om een ander wonder: dat van een vrouw die het volhoudt, zelfs tegen Gods zwijgen en Gods afwijzing in, om een beroep te doen op Zijn barmhartigheid? Ja, ik denk dat dat nog een groter wonder is dan die genezing. Veel groter en onbegrijpelijker ook.

Maar, gemeente, de boodschap van onze tekst reikt nóg verder. Uiteindelijk is zelfs het volhouden van die vrouw niet het grootste wonder. De kern van de verkondiging vanmorgen is niet de oproep om het – net als deze vrouw – vol te houden tegen het zwijgen van God in. Op al die plaatsen in onze wereld die zoveel op Tyrus en Sidon lijken. In al die omstandigheden die zoveel overeenkomsten hebben met dat bezeten kind. Nee, het eigenlijke wonder is dat van die God die zich gewonnen geeft aan de roep om ontferming. God die zich toebuigt naar wie om Hem roept. En daaraan  is geen grens. Door Zijn Geest houdt God zelf de roep gaande, en dáárom heeft het zin geen genoegen te nemen met Gods zwijgen en daarom heeft het zin een beroep te blijven doen op Zijn barmhartigheid. De Geest van God zal het ons te binnen brengen. En God, Hij zal toch niet blijven zwijgen? Heer, ontferm u over ons. Amen