Preek 24 april 2016

Gemeente van Jezus Christus.

 

“De macht der liefde is zo groot, geen water blust haar vuren uit,

wanneer zij is ontstoken”.

Op deze vijfde Paaszondag ontmoeten we elkaar nog een keer in  “de Opperzaal”.

Dat huis waar Jezus met zijn leerlingen de laatste maaltijd houdt

voor Hij gevangen genomen wordt. Gekruisigd en begraven.

Waarom? De lijdenstijd is voorbij. Toch? We mogen vooruit kijken naar Pinksteren.

Moet het niet veel meer over het nieuwe leven gaan?

Het leven uit de Geest?

 

Dat zal het ook.

Anders dan bij voorbeeld voor Mattheüs en Lukas begint dat nieuwe leven

voor Johannes al hier.

Het lijden en de kruisiging zijn voor hem geen vernedering meer.

In het Kruis laat hij ons het begin zien van Gods overwinning over de dood.

Als een soort samenvatting van wat komen gaat schrijft hij:

“Nu is de grootheid van de Mensenzoon zichtbaar geworden

en door Hem de grootheid van God”.

 

Nog voor de geschiedenis van de voetwassing

laat Johannes ons delen  in het geheim van Kruis en Opstanding.

Hier gaat het om: “Jezus had de mensen  die Hem in de wereld toebehoorden lief

en Zijn liefde voor hen zou tot het uiterste gaan”.

Om “de macht van de liefde” gaat het bij Jezus die de voeten van de leerlingen wast.

Ook als Hij zijn leven offert aan het kruis.

Dan ook in het nieuwe leven waartoe Hij ons roept: het leven door de Geest.

 

Judas heeft de zaal verlaten om te gaan doen wat hij moet doen.

Daarna begint Jezus aan wat we zouden kunnen noemen: Zijn afscheidspreek.

Ieder jaar in de weken na Pasen luisteren ook wij mee naar deze woorden.

Ernstige woorden over zoeken en niet kunnen vinden.

Over verloochenen ook. Het nieuwe leven spreekt kennelijk niet van zelf.

Min of meer verdwaald, bijna toevallig naar het lijkt, staat daar ineens:

“Heb elkaar lief”.

Daarom zijn we naar de preek toegekomen met dat liefdeslied van Sytze de Vries.

Liefde: “woord van het begin”. Liefde immers  “die ons hebt geschapen”.

Een “vonk waarmee God zelf ons aanraakt”.

 

Dan zal het ons ook niet verwonderen als we in de afscheidswoorden

van Jezus horen over de Trooster. De Heilige Geest die zal komen.

De Geest die het voor Christus zal opnemen als Hij er niet meer is.

Wie zal zich nog in liefde aan Hem durven geven als het niet de Geest is

die ons telkens doet drinken van de liefde “als de allerbeste wijn”?

De Geest die het dan ook voor ons zal opnemen.

Want hoe zullen wij blijven geloven en hopen en liefhebben in een samenleving

waar het woord van de God van Israël steeds meer verdwijnt

als het niet de Heilige Geest is

die ons in liederen en verhalen steeds weer Christus te binnen brengt?

-1

“Ik geef jullie een nieuw gebod: heb elkaar lief”.

Een nieuw gebod?

Dit kennen we toch al vanuit Mozes en de Profeten?

Dat wat wij het “Oude Testament” noemen is samen te vatten met de dichter:

“Bemin uw Heer te allen tijd. Dien Hem met alles wat Gij zijt”.

En dan ook: “Het tweede gebod, het eerste gelijk: Bied uw naaste de helpende hand”.

 

Het nieuwe zal wel net zoiets zijn als wat we horen in Deuteronomium.

Dit vijfde boek van de Tora is de afscheidsrede van Mozes.

“Een herhaling van de wet”, noemen we dat wat al te nuchter.

Nieuw is niet wat we daar horen. Nieuw is het moment waarop het gesproken wordt.

Israël staat op het punt te beginnen aan het leven in het land van Kanaän.

Mozes legt zijn volk uit: zo zal daar uw leven zijn.

Wie gaat op de weg van de geboden zal leven in vrede en gerechtigheid.

Daarom moet je het leren aan je kinderen. Het moet op de deuren van je huizen staan.

Je ziet het nog bij Joodse woningen: dat kokertje aan de deurpost.

Daarin dat kleine stukje papier met deze woorden:

“Hoor Israël, de HEER is onze God. De HEER is één”.

Zeg maar: Hij is uniek. Zoals de God van Israël vind je geen tweede.

Ook: Hij is betrouwbaar. Zoals wij van een integere vouw of man wel zeggen:

“een mens uit één stuk”.

Het woord van God zit in je hart, in je hoofd en doe je met je handen.

 

Zo zal het leven uit en door de Geest, het leven na Pasen eruit zien.

Een leven in en door de liefde.

Nieuw aan dat gebod zal vooral ook zijn wat er volgt:

“heb elkaar lief zoals Ik jullie heb liefgehad”.

Een teken van die liefde  hebben we wellicht ook hier gezien

op de avond van de Witte Donderdag.

Aan die maaltijd in de Opperzaal waren we aangeschoven.

Welkom.

Wat onwennig en onzeker keken we rond.

Waar is de slaaf?

We komen langs de straten van de pijn. Het vuil van alle dag kleeft ons aan.

Wie zal ons de voeten wassen?

Niemand van ons hield genoeg van zichzelf om  slaaf van de ander te worden.

Niemand van ons hield genoeg van de ander om hem de voeten te wassen.

Toen is Jezus zelf opgestaan en Hij die we Heer noemen is onze slaaf geworden.

Toen vooral hebben we leren geloven, met verwondering:

“Liefde waagt zichzelf te geven”.

 

Die liefde geeft Jezus ons als een nieuwe richtlijn voor het leven.

Immers: die liefde “vraagt om ja en amen, ziel en zinnen metterdaad”.

Wat minder dichterlijk: liefde moet je doen!

 

Hebben we het dan over de liefde als die diepe emotie

die we ook wel verliefdheid noemen?

Die gevoelens waarop onze menselijke relaties meestal zijn gebouwd?

Liefde van ouders voor hun kinderen en omgekeerd?

Liefde die mensen soms een leven lang samenbindt?                                                         -2-

Liefde die je soms zo maar overkomt: wat een geluk!

Als de dichter zingt van liefde als “een geheim van zegening”, zal het ook daar over gaan.

 

Maar wat moet je als die liefde –diep, diep verdriet – er niet meer is?

Het spreekt immers niet vanzelf dat je van de ander houdt?

“Ik zal altijd van je houden” zeggen mensen op hun trouwdag vol goede moed.

“Liefde waagt zich” ook dan weer “zelf te geven: ademt op van goede trouw”.

 

Kijk naar Petrus.

In het vuur van het moment weet hij heel zeker: “Waarom kan ik U niet volgen Heer?

Ik wil mijn leven voor U geven”.

Groter liefde is toch niet denkbaar.

 

Wij werden gebracht bij de doopvont – velen van ons, toch nog wel.

Daar werden woorden van trouw over ons gesproken.

Op een Palmzondag of misschien in de Paasnacht, op een Pinksterdag zijn we terug gekomen.

Die woorden van liefde en trouw van de doop hebben we – velen van ons, toch nog wel,

voor onze rekening genomen toen we belijdenis deden.

“Ik wil U volgen Heer!” “Ge weet dat ik U liefheb”.

 

Waarom neemt Jezus die woorden van Petrus dan niet serieus?

Terecht moeten wij zeggen.

Tot drie keer toe heeft Petrus Hem verloochend.

Wie in dat verhaal betrokken wordt zal zich eerlijk moeten afvragen:

“Zou ik het beter hebben gedaan?”.

 

Hoeveel relaties, stralend begonnen, lopen niet stuk?

En zeg nou zelf: als “het” weg is wie kan huis en bed dan nog samen delen?

 

Daarom zal de liefde die Jezus vraagt meer zijn

dan die zo prachtige gevoelens die ons overkomen.

Liefde die om “ja en amen” vraagt, liefde die je mag doen “metterdaad”,

liefde die Jezus ons aanreikt als een nieuw gebod.

Die liefde is misschien veel meer: “trouw” of ook wel: “verantwoordelijkheid”.

 

Ik kan van u niet houden zoals ik van mijn kinderen en kleinkinderen houdt

en de liefde die mijn vrouw mij geeft kan ik toch eigenlijk met niemand delen.

Maar als we elkaar nodig hebben kunnen we wel betrouwbaar zijn.

Kunnen we voor elkaar instaan. Kunnen we onze verantwoordelijkheid nemen.

Natuurlijk altijd binnen de menselijke maat en mogelijkheden.

“Ik kan niet meer met jou samenleven” zei zij,

“maar ik zal altijd proberen er te zijn, zeker voor de kinderen, maar ook voor jou”.

 

Dan zijn we de Opperzaal weer uitgegaan.

Dan is het al Pasen geworden. Dan is de Pinksterdag aan gebroken.

Elk gebod dat God ons geeft begint immers met Zijn bevrijding, met Zijn genade.

God vraagt niets wat Hij niet eerst gegeven heeft.

Zo blijven dan: geloof, hoop en liefde. Maar de meeste is de liefde.

“Liefde eenmaal uitgesproken als uw woord van het begin.”

AMEN.                                                                                                    -3-