Preek 1 november 2015

Het is vandaag november geworden, de maand van het gedenken van onze dierbare gestorvenen.

Wij gedenken die hier met naam en toenaam over een paar weken maar ook veel protestantse kerken doen dat intussen rond deze dagen.

In Meppel b.v. wordt vandaag de overledenenherdenking in de kerk gedaan.

Dit sluit aan bij de oude gedenkdagen Allerheiligen en Allerzielen, vandaag is het Allerheiligen en morgen Allerzielen. Vandaag gaat het dan om de grote geloofsgetuigen, vaak martelaren, die vanwege hun geloof zijn gestorven.

Hier in de kerk herinnert de toren van Barbara ons aan zo’n heilige martelares, die omwille van haar geloof de dood vond.

Ik vind het zelf belangrijk om zgn. Heiligen te gedenken.

En dan gaat het me niet zozeer om door de RK kerk officeel heilig verklaarde mensen, maar om in herinnering te houden, te koesteren wie van waarde zijn geweest voor mijn persoonlijk geloof of voor de kerk en voor de wereld. Voorbeelden aan wie je je kunt optrekken, ook in moeilijke tijden.

Dan weet ik b.v. weer dat ik niet de eerste ben die soms beproevingen moet ondergaan.

En voor onze kerk vind ik het dan mooi en belangrijk om Barbara te blijven noemen en gedenken als iemand, aan wie de kerk oorspronkelijk werd gewijd, die tegen de wil van haar vader, trouw bleef aan haar geloof. Ervoor opgesloten werd in een toren, maar toch vasthield aan wat haar stellige overtuiging was geworden.

En vier weken heb ik het hier over Franciscus van Assisi gehad, die op 4 oktober stierf, de dag die wij kennen als dierendag.

Intussen waren we in Assisi en hebben we de plekken gezien en gevoeld waar hij rondtrok en het evangelie op een eenvoudige manier predikte aan de mensen. Bijzonder…

Op die manier kunnen mensen met je meegaan en je inspireren.

Nog een voorbeeld: Ik ben op 15 oktober jarig en mijn oma was het ook. De heilige die op 15 oktober wordt herdacht is Teresa van Avila, een Spaanse vrouw uit de tijd van de hervorming in de 16e eeuw, die kloosters heeft hervormd en gesticht. Die ook zei dat God tussen de potten en pannen in de keuken te vinden is. Ik heb mijn oma ooit een boekje gegeven met teksten van haar. Pas vele jaren later kwam ik erachter dat deze Teresa de heilige van 15 oktober is, de verjaardag van mijn oma en ik. Hoezo toeval? Dus dat inspireerde me mij in Teresa te verdiepen.

Het liedboek heeft na het kopje Allerheiligen bij Geloofsgetuigen ook een serie liederen over deze mensen opgenomen, zelfs Sinterklaas zit erbij, maar ook Sint Maarten en Franciscus.

Wij zijn de eersten niet die de weg proberen te gaan van geloof, hoop en liefde. Velen zijn ons daarop voorgegaan en ze vergezellen ons nog steeds.

Maar je kunt natuurlijk ook denken aan mensen, voorbeelden uit je familie, je ouders of grootouders, die belangrijk voor je waren en je dingen hebben meegegeven, die een voorbeeld waren.

Vaders die ons leidden, moeders die ons droegen, niet alleen van vroeger zijn ze, maar van nu, want ze zijn van U, zegt lied 732 zo mooi. We zingen het straks.

 

In Marcus gaat het ook over de doden maar in een heel ander verband.

De Sadduceeën voelen Jezus aan de tand over de opstanding der doden, waar zij niet in geloven.

De opstanding uit de dood komt in de vijf boeken van Mozes niet voor en wordt pas veel later populair, waarschijnlijk vanwege het feit dat veel mensen een onrechtvaardige dood stierven.

En met de ervaringen van de Paasmorgen, de opstanding van Jezus, is deze overtuiging dat de doden bij God leven steeds sterker geworden, is zelfs het hart van het Christendom geworden. Niet de dood heeft het laatste woord, maar het leven.

Want de Bijbelverhalen, ze vertellen eigenlijk telkens weer dat je anders tegen het leven kunt aankijken dan wij op het eerste gezicht ervaren. Bij God raakt alles omgekeerd, armen gaan voor rijken, zieken voor gezonden, bedelaars gaan voor hen die genoeg hebben. God is voortdurend bezig om mensen te inspireren, om zó, door het werk van mensen heen de wereld te herscheppen. Overal waar de dood wil overheersen zet God de troef van het leven in. Woestijnen moeten bloeiende plekken worden, waar oorlog is moet het vrede worden, waar armoede is moet toekomst geschonken worden, waar mensenhanden en mensenharten tekort komen, daar waar de dood toch toeslaat mogen wij erop vertrouwen dat de doden bij God leven.

 

De Sadduceeën leggen een vrij absurd voorbeeld voor. In Israël kende men de wet van het zwagerhuwelijk. (Misschien kent u het verhaal van Tamar uit Genesis 38) Als een weduwe kinderloos was, moest een broer van de overleden man met haar trouwen om zo nageslacht voor zijn broer te verwekken. Maar dat was zeven keer mislukt, zeg maar. Triest genoeg.

Dit voorbeeld, het is knap bedacht, maar het is ook net over de top. Die zwagerplicht was een zorgmaatregel – zodat een vrouw als weduwe niet onverzorgd achterbleef, maar ook een dak boven haar hoofd had en een leven waarin ze door anderen beschermd wordt. Maar de goede kant die er achter zit wordt helemaal overschaduwd door de flauwe discussie van de Sadduceeën over wat daarna komt. Heel dat instituut van het zwagerhuwelijk wordt min of meer belachelijk gemaakt. Er wordt de spot mee gedreven. Het is een strikvraag van de Sadduceeën.

 

Van wie is zij dan de man bij de opstanding?

Jezus beticht hen op die vraag van dwaling, ze kennen de Schriften niet, noch de macht van God. Er is bij de opstanding uit de dood geen sprake van huwen, maar mensen zijn als engelen in de hemel. God is geen God van doden maar van levenden.

Jezus roept dat prachtige verhaal over Mozes in herinnering, de aarstvaders Abraham, Isaak en Jacob zijn allang gestorven als Mozes midden in de woestijn is en zijn volk in Egypte onder de slavernij zucht. Mozes ziet er geen gat meer in. Hij kan zijn volk niet helpen, denkt hij.. En dan ziet hij midden in de woestijn een doornstruik, alles is dor en kaal maar die doorstruik staat in vuur en vlam en hij raakt niet opgebrand, zoals het vuur van de liefde kracht geeft en je niet verteert. En in dat vuur zegt God tegen Mozes: ik ben de God van Abram, Isaak en Jacob.

Hier ben Ik – en nog steeds ben Ik verbonden met Abraham, Isaak en Jakob. Hij zegt niet: Ik wàs de God van Abraham, Isaak en Jakob. Ik bén het. Hún God, nog steeds! Met andere woorden: de doden zijn niet dood. Ze leven! Bij Mij en mèt Mij, zegt God. En Ik met hen.

Ze zijn reeël bij mij, levend voor mij, opgestaan bij mij. Ik ben hun God en zij zijn mijn mensen.

 

Op grond van dit getuigenis van Jezus, durven wij te vertrouwen op wat menselijk gesproken ongehoord is en bijna ondenkbaar. Onze doden leven, God bewaart hen in de palm van zijn hand Hij is blijvend met hen verbonden. Hij is de God van Abram Isaak en Jacob. Dan is hij ook de God van onze dierbare gestorvenen…

 

Als de gestorvenen voor God leven, leven ze ook voor ons. Laatst in Assisi waren wij in de crypte waar relieken, botjes van Franciscus zouden liggen. We hadden dat al eerder in Padua meegemaakt waar relieken zijn van Antonius. Voor veel mensen is dat een heel bijzondere plek. Voor mij als protestant zijn die botjes niet zo magisch maar wel de toewijding van de mensen. Het verdriet, de stilte, het knielen, het gebed dat daar gedaan wordt. Het maakte diepe indruk.

Op beide plekken kon je een gebed opschrijven aan die heilige en daar achterlaten. Deze keer in Assisi heb ik het gedaan. Vanwege de sfeer, de eerbied, het geloof.

In de Katholieke kerk wordt er tot een heilige gebeden om voorspraak te doen bij God. Wij protestanten doen dat niet. Maar het mooie van die gewoonte is dat de mensen die bij God zijn meer voor je gaan leven. Je kan iets aan hen vragen. Op één of andere manier maken ze deel uit van je leefwereld. Zo heb je een band met wie gestorven zijn.

Bij bijna elke rouwdienst spreek ik dan ook uit:

 

De mensen van voorbij

zij blijven met ons leven.

De mensen van voorbij

ze zijn met ons verweven

in liefde, in verhalen,

die wij zo graag herhalen,

in bloemengeuren, in een lied

dat opklinkt uit verdriet.