Preek 20 september 2015

‘Zolang mensen bestaan, hebben ze zich verwonderd. Over wat ze niet voor mogelijk hadden gehouden. Over waar ze met hun verstand niet bij kunnen. Over waar ze geen grip op hebben. De wonderen van de natuur. Het mysterie van hoe nieuw leven ontstaat maar ook het raadsel van de dood en het intuïtieve besef dat een mens meer is dan zijn lijf, dat we een ziel hebben. Altijd hebben mensen zich verwonderd wanneer het leven zich aandiende als wat het ten diepste is: een geheim, een mysterie.’

’De mooiste en diepste ervaring die een mens kan hebben is het gevoel van mysterie. Dit is de wortel van religie en de drijfveer van werkelijke kunst en wetenschap. Wie deze ervaring niet heeft gekend, lijkt mij levenloos dan wel blind’. (Albert Einstein)

 

Daar wil ik vanmorgen met u even bij stilstaan.

Van oudsher zijn er getuigenissen aan ons overgeleverd die melding maken van dat mysterie.

Getuigenissen van mensen die spreken over wat hen ten diepste heeft geraakt en hoe dat geraakt zijn hun levenshouding ging bepalen.

Er zijn wijze mensen geweest, belangrijke gidsen en er zijn heilige boeken gescheven.

Er zijn godsdiensten uit voortgekomen en levensbeschouwingen.

M.i. draaien ze allemaal min of meer om hetzelfde.

Dat er hoop is, dat mensen zijn bestemd om naar elkaar om te zien, dat het je soms kan overkomen: een ervaring dat de hemel opengaat en dat je weer verder kunt.

Dat je leven een roeping is, een bestemming kent.

Het is een universeel menselijke ervaring, gekoppeld aan een universeel menselijk verlangen om gezien te worden, gerespecteerd, gekend, je eigen unieke weg te mogen gaan.

Een verlangen dat het weer licht mag worden als je in duisternis verkeert.

Dat je troost vindt in je verdriet, een manier om tegenslag te kunnen dragen.

Om levenskunst te leren.

Ieder mens, gelovig of niet, is in die zin aangelegd op het transcendente. Op compassie, op mededogen.

Ieder mens gedijt erbij liefgehad te worden.

En ieder mens kan zich verwonderen.

Verwondering komt binnen in een hart dat open is.

Dat maakt mensen mooi en barmhartig, fier en bescheiden tegelijk.

 

Nu zult u misschien zeggen: ik merk er weinig van dat bij godsdiensten verwondering aan de basis ligt. Ze perken mensen in en sommigen moorden elkaar zelfs uit in de naam van God.

De joodse columnist Tamarah Benima schrijft hierover. Ze zegt:

 

’Vaak zou ik woorden als ‘God’, ‘religieus’, ‘geloof’ uit het raam het raam willen gooien. Het zijn woorden die mensen eerder vastzetten dan dat ze helpen. De een na de ander komt op mijn pad en opent het gesprek met: „Ik ben niet religieus.” Waarschijnlijk bedoelen ze: ik heb niks met een kerk, synagoge, moskee, tempel. Waarschijnlijk bedoelen ze: ik zou niet weten voor wie ik zou moeten knielen, wie ik zou moeten danken, aan wie ik mij ondergeschikt zou moeten maken. Waarschijnlijk bedoelen ze: ik wil niet worden betutteld of terecht gewezen uit naam van een Hogere Macht die ik niet hoor, voel, ervaar.

Mijn standaard reactie is, zegt Tamarah: „Nooit een orgasme gehad? Nooit bij de zee gestaan of in een bos of op een berg en je overweldigd gevoeld door de grootsheid ervan? Nooit naar een kind (eigen of niet) gekeken en vervuld geraakt van liefde en dankbaarheid? Nooit naar muziek geluisterd waardoor je even ‘helemaal weg’ was of ‘in een andere wereld’?” Bijna iedereen weet dan wat ik bedoel. Alleen, ze zijn gewend ‘religieus’ in te vullen met ‘godsdienstig’. Ze zijn gewend ‘God’ te zien als een al dan niet Meppende Vader (meppend met woorden of met de handen), of juist als Zo’n Altijd Liefdevolle Vader, dat ze onmiddellijk beginnen te twijfelen: dat kan niet waar zijn.

………..

Het zal nog wel een tijd duren voordat kerken en synagogen weer een plek worden waar mensen die er nu alleen met grote weerstand naar toe te krijgen zijn, het (weer) als plekken van rust, acceptatie, dankbaarheid, plezier, schoonheid en inzicht ervaren. Ik blijf ondertussen mijn ontregelende vragen stellen.’’

 

Er is dus nogal wat ruis op de lijn.

Des te belangrijker is het om het mysterie van de verwondering te blijven uitgraven onder het puin van het eigen  gelijk en van de waarheid die zo vaak wordt geclaimd.

 

In de belijdenis die we hoorden wordt dat expliciet gezegd:

 

Wij beseffen en aanvaarden

dat wij onze rust niet vinden in de zekerheid van wat wij belijden,
maar in verwondering over wat ons toevalt en geschonken wordt;

dat wij onze bestemming niet vinden in onverschilligheid en hebzucht,
maar in wakkerheid en verbondenheid met al wat leeft;

dat ons bestaan niet voltooid wordt door wie we zijn en wat we hebben,
maar door wat oneindig groter is dan wij kunnen bevatten.

 

Niet de zekerheid van belijden maar de verwondering over wat ons toevalt en geschonken wordt.

Daar kunnen wij van leven.

En er wordt ons zoveel geschonken, als je naar psalm 8 luistert.

Dat kleine mensje in het grote heelal is bijna goddelijk gemaakt, en de hele schepping is aan onze voeten gelegd, om ons over te verwonderen en die te koesteren als plek om thuis te zijn en steeds weer  thuis te komen.

 

Want zeker in de natuur kan het je overvallen: de schoonheid van een zonsondergang, de grootsheid van het uitzicht in de bergen.

Soms kunnen dergelijke ervaringen zo hevig zijn dat we ze religieus kunnen noemen. Want wij scheppen ze niet. Je zou kunnen zeggen dat ze ons scheppen of tenminste herscheppen.  Het mysterie van het leven overkomt je,  van het mysterie dat ik zelf ben. Het is niet het product van mijn verstand of mijn wil: het zijn genademomenten die mij worden geschonken.

Een soort staat van genade, waar mijn patronen op stuk breken.

 

Verwondering als levenskunst.

Die maakt dat wij mooie mensen worden, open, mensen met een hart. Nieuwsgierig naar een ander  en niet bang.

Mensen met een missie mogen wij zijn, om deze aarde bewoonbaar te maken voor iedereen en daar ons kleine, maar onmisbare steentje aan bij te dragen.

 

Tot slot een beschrijving van zo’n bijzondere ervaring:

‘Ik zie me als jongetje van 10 zwervend in uitgestrekte weilanden door zompig gras en oneindig geel van boterbloemen. Gezoem rond je hoofd. Af en toe zo’n reusachtig koebeest. Zomerse verrukking die nooit meer op deze manier zou terugkomen. Op die middag brandde de zon door me heen. Alles trilde. Ik lag plat op mijn buik bij een slootje achter de boerderij naar stekeltjes en salamanders te kijken. Schapenwolkjes gleden spiegelend in het wateroppervlak voorbij. Tot het moment dat aarde en hemel begonnen samen te vallen. Het water was nog nooit zo helder geweest, de lucht nooit zo blauw, de wolken nooit zo echt. Boven en onder waren niet langer gescheiden en ik werd deel van een groot fascinerend geheel waarvan ik me niet meer kon losmaken. Diepste diepte en hoogste hoogte. Eén geworden met het gras leek het alsof een grote hand me vasthield en bijna dwong om te blijven kijken in de schittering van al dat licht waarin water, lucht, wolken en waterviolieren transparant werden. Dit was dus leven. Een hele zomer lang heb ik daar misschien gelegen … Daar, gebogen over het water weet ik me tot mens geboren. Vanaf die tijd en die plaats ben ik nooit meer alleen geweest. Er was altijd die zachte handpalm waarin je thuiskwam.En soms lag er een grote zakdoek in waarmee tranen konden worden gedroogd.’

 

Moge het zo zijn