Preek 24 mei 2015

Preek over het Veni Sancte Spiritus

Kom, heilige Geest en zend ons uit de hemel

een straal van uw licht

Kom, vader van armen, kom, bron van geschenken,

kom, licht van het hart.

Allerbeste trooster, liefste zielenvriend.

zachte verkwikking.

Jij, de rust in het zware werk, de kalmte in de woede,

de troost in ’t verdriet.

O, gelukzalig licht, vervul het innerlijk van het hart

van wie jou trouw is.

Zonder jouw macht is er niets in de mens,

niets dat nog onbeschadigd is.

Reinig wat vuil is, besproei wat droog is,

heel wat gewond is.

Verzacht wat verstard is, verwarm wat verkild is,

breng terug wat verdwaald is.

Geef je getrouwen die in jou geloven:

de zeven goede vruchten.

Geef de beloning van de deugd, geef welzijn als uitkomst,

geef eeuwige vreugde.

Ik las twee jaar geleden, denk ik, een recensie van een boek. Een kopje uit de recensie had als titel: zacht worden doet pijn. Die woorden raakten me en ik kocht het boek.

De woorden ‘’zacht worden doet pijn’’, hoorden bij het lied Veni Sancte Spiritus, dat de schrijver Jan Oegema in het boekje behandelt.

Het gebed is al heel oud, uit de Middeleeuwen, 13e eeuw waarschijnlijk. De Geest wordt aangeroepen, als een kracht die de mens zacht maakt, dat is het eigenlijk. Er staan prachtige dingen in het gebed, als het gaat over de kwaliteiten, de gaven of de vruchten van de Geest.

Ik kende het lied wel, maar was nooit zo intensief met de inhoud bezig geweest, maar nu viel me op wat een prachtige tekst het is.

Eigenlijk zegt het lied dat het niet zo best gesteld is met de mens zonder de geest. Dat we arm zijn, onze ziel gewond is, dat er strijd en woede in ons woont, dat het donker is, dat we kil en verstard kunnen zijn, bevroren, schuldig, eenzaam koud.

Dat is de uitgangspositie, maar dan, door die gave van de geest wordt alles anders. Komt er troost door de ‘’lieve trooster van verdriet’’, er komt genezing, we worden zacht, open, mooi. Dat vind ik prachtig.

Het klinkt ook vrouwelijk. De geest word ook vrouwelijk geduid. In het Hebreeuws is het woord voor geest ook een vrouwelijk woord, roeach, de levensadem.

De geest van de metamorfose is bezig in dit lied. Dat zegt Jan Oegema de schrijver van het boekje, waar ik mee begon. De geest verandert de mens van een eenzaam, gewond, dier tot een genezen, schoongewassen, verzacht, een nieuw mens.

Ik loop het lied even langs.

Het bestaan dat onvolledig en onaf is wordt hier arm genoemd. ‘’Kom, vader (of hoeder) van armen, kom, bron van geschenken, kom, licht van het hart.’’ Die geschenken zijn niet in de eerste plaats materieel bedoeld. Al kan een mens daar ook aan tekort komen.

Maar vooral: Wie die deze geest aanroept, gaat het om het licht, om het licht van het hart, om de verkwikking. Daaraan is zo vaak gebrek. Het licht ontbreekt in het hart, het is donker, en de geest kan licht brengen. Troost is nodig, en de geest kan troost geven. Lieve trooster van verdriet, dat is de geest.

‘’Liefste zielenvriend’’: Er wordt verlangd naar een diepgaande ontmoeting. Zielscontact. Een mens weet blijkbaar intuitief dat ie dat zo hard nodig heeft, dat ie het daarvan moet hebben om werkelijk geluk en goedheid te ervaren. Verbinding met een ander mens. Iemand naast je. En vooral beseffen wij dat ook als het bestaan kwetsbaar is geworden.

‘’Allerbeste trooster, liefste zielenvriend, zachte verkwikking.’’ De Geest als de liefste vriend van onze ziel, als zachte verkwikking. Wat prachtig kon deze dichter de toen al geest beschrijven.

Dan gaat het lied verder. Er worden nu tegenstellingen opgevoerd. Zij geven aan in welke omstandigheden de geest werkt en vooral wat zij doet: zij brengt rust, kalmte, troost.

‘’Jij, de rust in het zware werk, de kalmte in de woede, de troost in ’t verdriet.’’

Er wordt niet ontkend dat dit zware werk er is. Iedereen kan voor zichzelf wel invullen wat dit betekent. Het is het werk dat je bijna niet meer aankunt, lichamelijk niet of emotioneel niet. Het kan crisis zijn. Maar hier kan de geest werken. Dat zware werk neemt zij niet weg, maar zij brengt daarin het tegendeel aan: de rust. Zij neemt het verdriet niet weg, of de woede. Zij maakt het een beetje los, zou je kunnen zeggen. Zij lost het een beetje op, zij maakt een innerlijke ruimte vrij – zo, dat je afstand kunt nemen: rust in het zware werk, kalmte in de woede.

‘’O, gelukzalig licht, vervul het innerlijk van het hart, van wie jou trouw is.

Zonder jouw macht, is er niets in de mens, niets dat nog onbeschadigd is.’’

Het leven, hoe mooi het kan zijn, eist zijn tol. Ons overkomen ervaringen die we niet wensen, die traumatiseren. Maar dat alles is niet einde verhaal. Als we blijven uitzien naar het licht, zal het er op een dag weer zijn. En op een gelukzalige manier het innerlijk van ons hart vervullen.

Dan komen we tot de kern van het lied, het gebed: ‘’Kom heilige Geest en reinig wat vuil is, besproei wat droog is en heel wat gewond is. Verzacht wat verstard is, verwarm wat verkild is, breng terug wat verdwaald is.’’

Dat zacht worden doet pijn, waar ik mee begon, heeft vooral met deze bede te maken.

Jan Oegema zegt in zijn boekje: ’De stille stem’’ Over niet- weten als levenshouding’: De heilige Geest is ook een ontwrichter: maakt onzeker, verbrijzelt onze beelden. Vooral dat ene zinnetje maakt indruk: flecte quod[est] rigidum, maak soepel wat verstard is. Flecte kun je ook vertalen als ‘buig’. Buig wat verhard is, versteend, verbeend is. Je hoort de botten kraken. Zacht worden doet pijn. Het is nooit gemakkelijk om stellige opvattingen en zekerheden prijs te geven. Beelden die je hebt van jezelf en van het leven. De Geest wil dat we ons openstellen en hardheid verliezen, dat we doordringbaar worden en ons vullen met wereld, en met het lijden van de wereld. De enig ware mens is de kwetsbare mens hij die zich zijn beelden laat afnemen om zich te laten raken door de nood. Zij ontwricht, opdat wij de onschuld hervinden. De zachtheid, zou je ook kunnen zeggen. Die zachtheid ontdek je pas als je de dingen uit handen worden geslagen en je inziet dat je het niet allemaal zo zeker weet en onder controle hebt, als je wellicht altijd dacht. En dat doet zeer. Maar het is een noodzakelijk proces. Durven we kijken naar het vuil, de verstarring en verkilling, de dwaling en dan denken: wil ik dit wel? Of wil ik mij een andere geest te binnen brengen, een nieuwe geest? Wil ik open zijn en zacht, kwetsbaar en daarom zo kostbaar? Je kunt op een nieuwe wijze in het leven komen te staan. Je kunt daardoor ook iets voor anderen betekenen.

Wie zich open stelt voor de geest van het herstel, voor de trooster, voor de zachte krachten, zal de zeven goede vruchten van de geest ontvangen. Paulus noemt ze in zijn brief aan de Galaten: liefde, vreugde, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, betrouwbaarheid.

De middeleeuwse dichter wil ons leren, dat de zachte krachten de bestemming zijn van het leven. Daarop loopt alles uit. Daardoor mogen wij ons laten inspireren. Zij overwinnen in het eind, zoals Henriëtte Roland Holst in een gedicht zo mooi verwoordde. Ongeschonden komen we niet door het leven. Maar we kunnen mooiere mensen worden. Dat is een gave van de geest.

De zachte krachten zullen zeker winnen
in ’t eind – dit hoor ik als een innig fluistren
in mij: zo ’t zweeg zou alle licht verduistren
alle warmte zou verstarren van binnen.

De machten die de liefde nog omkluistren
zal zij, allengs voortschrijdend, overwinnen,
dan kan de grote zaligheid beginnen
die w’als onze harten aandachtig luistren

in alle tederheden ruisen horen
als in kleine schelpen de grote zee.
Liefde is de zin van ’t leven der planeten,
en mense’ en diere’. Er is niets wat kan storen
’t stijgen tot haar. Dit is het zeekre weten:
naar volmaakte Liefde stijgt alles mee.

Zo mogen wij vandaag een beetje vliegen naar ongekende hoogten. Door de geest van God die liefde is en in ons wil wonen.