Preek 5 oktober 2014

Preek over Genesis 16

 

Ik kreeg van een gemeentelid/vriendin uit Marrum, toen ik daar wegging dit blok hout met het oog erin uitgesneden. Het had haar bloed, zweet en tranen gekost om het voor elkaar te krijgen. Omdat ik naar haar had omgezien, vertelde ze. Een bijzonder cadeau.

Ik moest eraan denken bij dit verhaal van Hagar en Sarai, waar voortdurend wordt gsproken over ogen en over zien.

En ook over horen trouwens, want Ismaël betekent: God hoort!

Al 10 jaar wonen Abram en Sarai in het beloofde land. De belofte van het grote nageslacht, zo groot als de sterren aan de hemel, is nog steeds niet uitgekomen. Tien jaar zijn er sindsdien dus al verstreken. En het gaat Sarai niet meer naar de wijze der vrouwen. Ze is te oud om nog te baren, menselijkerwijs gesproken.

Het is daarom niet zo gek dat ze op het idee komt een slavin aan te wijzen die als draagmoeder moet dienen om Abram zijn beloofde nageslacht te geven. God moet wellicht ook een handje geholpen worden soms. Als ons een nieuwe hemel en een nieuwe aarde is beloofd, dan is het toch ook onze verantwoordelijkheid om daaraan te werken, om daaraan mee te helpen bouwen? We kunnen toch niet lijdzaam afwachten totdat God iets doet?Als Hij dat al kan..

Waarom hier dan niet? Sarai is best verstandig.

Maar toch gaat het dan mis. Hagar, de slavin van Sarai, wordt zwanger van Abram en dan veranderen de verhoudingen in het gezin. Hagar voelt zich eindelijk vereerd, lijkt me, voelt zich gezien. Zij, de Egyptische, de slavin, mag de eerstgeborene van Abram dragen en baren.

Zij voelt zich bevrijd uit het knellende juk van ongeziene dienares, van iemand die er eigenlijk niet bij hoort, een vreemdelinge (haar naam betekent zwerfster!) in een voor haar vreemd land die het bezit is van twee rijke mensen.

Maar terwijl eerst Sarai nog meesteres is van Hagar, de meerdere, de baas en Hagar de onderdanige, nu worden de rollen anders. Hagar gedraagt zich niet langer als slavin. Met haar buik groeit haar zelfvertrouwen en hier zien we voor het eerst het woord ogen staan. (In de BGT maar ook al in de NBV niet meer te vinden) Haar meesteres wordt verachtelijk, gering, is niets meer, in haar ogen. Als blikken konden doden! Van slachtoffer wordt Hagar dader, las ik ergens. Dat zou kunnen. Van een leven vol afwijzing en gebruikt worden als slaaf, neemt ze nu wraak.

Hagar mag zich dan gezien voelen, het is de vraag of dat ook werkelijk zo was. Het ging Sarai en Abram niet om Hagar, maar om het kind dat er moest komen.

Zij zagen niet de mens Hagar, maar zij vormde een middel om tot hun doel te komen.

Wanneer mensen elkaar niet werkelijk kunnen of willen zien, kan dat veel verdriet en pijn geven. Je doet je ogen open om te zien, om gezien te worden –maar voor je het weet word je juist daarin geraakt en gekwetst door een ander.

 

Met het zaad is in ieder geval ook veel ellende verwekt. De driehoeksverhouding zorgt voor jaloezie en haatgevoelens. Niets menselijks is hen vreemd. Op zich was in het Oosten een bijvrouw een normale zaak. Had Hagar nog haar plaats geweten als zwangere was het misschien anders gelopen. Dan had Sarai het kunnen uithouden, maar nu niet.

Ik ben niets meer in haar ogen, klaagt Sarai bij Abram, laat God rechtspreken. Maar God blijft hier mooi buiten. Los jij het maar op zegt Abram tegen Sarai, die zijn vingers er niet aan wil branden.

Doe wat goed is in jouw ogen. Weer die ogen…

En dan laat ook Sarai zich helemaal leiden door haar gevoelens van afgunst en vernedert Hagar. Zoals Hagar haar vernederde, vernedert zij terug. Zo hard als ze kan.

De zwerfster Hagar vlucht, opgejaagd de woestijn in. Ze kan het niet langer uithouden. Haar leven en dat van haar kind lopen gevaar.

En dan komt God wel op de proppen. Het is de eerste keer in de bijbel dat hier een engel verschijnt.

Aan een verlaten, verstoten vrouw. Bij een bron in de woestijn. De engel en de bron, twee tekenen van hoop zijn het. Waar kom je vandaan en waar ga je heen, vraagt de engel?

De twee belangrijkste vragen uit een mensenleven, denk ik. De vragen van je verleden en van je bestemming, ze trekken altijd aan ons. Ze zijn belangrijk om mens te kunnen zijn, om jezelf te worden, een mens met een eigen gezicht, een identiteit. Wat is je afkomst, waar je geboortegrond, je oerplek, die je zo heeft gevormd, die zo in je genen zit. En waar ligt je verlangen, wat is je bestemming, waar wil je heen/uitkomen? Abram weet er alles van. Wegtrekken van je oergrond om in het beloofde land te komen.

Op de eerste vraag weet Hagar wel een antwoord: ze is op de vlucht voor haar meesteres (hier weer meesteres genoemd!).

Van de engel moet ze terug om zich door haar te laten vernederen. Een vreemde boodschap. Waarom is dat?

Is het omdat weglopen vaak niets oplost? Je moet het soms uithouden, zien dat je erdoorheen komt. Oefenen om geen slachtoffer van de situatie te worden. Je waardigheid behouden ook als je vijandig wordt bejegend.

Of is het nodig dat haar kind in een veilige omgeving geboren wordt, bij zijn vader? Ismaël moet misschien toch opgroeien in het verbond met God dat door Abram is gesloten.

En dan ook een belofte aan Hagar: In overvloed zal ik je zaad overvloedig maken, het zal niet te tellen zijn zo overvloedig. Drie keer het woord overvloed in één regel. Het kan niet op.

Je zoon zal heten Ismaël, God hoort, want God heeft gehoord naar je vernedering.

De echo van een andere geboorteaankondiging klinkt erin door. Wanneer de engel verschijnt aan Maria, de dienstmaagd van de Heer. Wie vernederd werd, zal verhoogd worden.

Hagar werd gezien, daar op de vlucht in de woestijn. Eindelijk echt gezien. Met liefdevolle ogen.

Op het oog verandert er voor Hagar niet veel.

Ze wordt gewoon weer teruggestuurd naar de situatie waar ze vandaan kwam.

Toch is er iets fundamenteels veranderd. Haar leven staat nu in een heel ander perspectief. De ontmoeting bij de bron heeft alles ten diepste veranderd. Hagar is gezien.

‘’Zie ik nog wat ik zie, sinds hij mij heeft gezien?’’ Zo vertaalt Huub Oosterhuis vers 13.

Ha(g)ar zijn de ogen geopend. Ze kan nu verder zien dan vernedering en de dorheid van de woestijn.

Hagar kan nu engelen zien, ze weet dat die er voor haar zijn, en de waterbron in de woestijn heeft haar gebracht bij de bron in zichzelf. Er is meer dan vernedering en uitzichtloosheid, de toekomst ligt weer open.

‘’De Heer heeft mij gezien en onverwacht, ben ik opnieuw geboren en getogen.’’ Het lied staat niet meer in het nieuwe liedboek, maar vandaag zingen we het nog een keer.