Preek 19 oktober 2014

19.10.2014 Preek Nijeveen

 

Bij Jesaja 45: 1 – 7

en Mattheüs 22: 15 – 22

 

In de lezingen van deze zondag gaat het over een vraagstuk in de kern van ons mensenbestaan, de verhouding tussen twee elementen die zo verschillend zijn: macht en kwetsbaarheid. Tegelijkertijd liggen ze in de praktijk vaak heel dicht bij elkaar, zodat je soms heel goed moet kijken om het verschil te zien. Zoals ook het verschil tussen het materiële en alles wat onstoffelijk is; het harde en het zachte; de buitenkant en de binnenkant; het zichtbare en het verborgene; de vuist en de handreiking; oorlog en vrede; haat en liefde. Uiteindelijk gaat het denk ik over de dubbelheid van het aardse en het hemelse. Wat van vergankelijke menselijke oorsprong is en wat van eeuwigheidswaarde is.

 

Bij Jesaja komt het harde en al te menselijke ter sprake in woorden als: ringmuren, bronzen deuren, ijzeren grendels, wapens en onheil.

De taal van het hogere, het goddelijke klinkt als: herder, herbouwen,

fundering leggen, gezalfde, deuren openen, verborgen schatten, bij je naam roepen, vrede maken.

Als je die twee reeksen even op je in laat werken, dan voel je een enorm krachtenveld. Ik weet niet hoe dat bij u is, maar hetzelfde voel ik eigenlijk altijd als ik het nieuws zie of de krant lees. Het plaatselijke nieuws is misschien nog het meest vriendelijk en zacht; het wereldnieuws blinkt uit door hardheid, geweld, buitenkant, haat en burgeroorlog.

 

En hoe zit het dan in ons eigen persoonlijk leven? We weten allemaal dat je je meest gevoelige binnenkant niet zomaar voor iedereen zichtbaar maakt. Je hebt al lang geleerd dat dat niet kan, het is niet veilig, iemand die kwaad wil kan je dan zomaar in de tang nemen of belachelijk maken. Bij die binnenkant hoort vaak ook hoe we geloven. En ook dat dit diep van binnen soms anders werkt dan men van ons denkt. Of anders is dan we zelf aan de buitenkant laten zien? En nu ik wat langer mee ga, vraag ik me ook wel eens af: weet ik zelf eigenlijk wel precies wat er in mij leeft? Soms kan ik er helemaal geen naam aan geven, geen woorden voor vinden.

In elk gezin is er aan de ene kant de noodzaak om geld en bezit te verwerven en tegelijk de vraag: hoe deel ik met wie het veel slechter hebben? En bijbels gesproken is het daarbij zo: hoe meer je bezit, hoe groter je verantwoordelijkheid voor de armere. En ook: hierbij niet direct denken ‘laat die of die maar eens wat meer doen’. Dat is immers niet mijn verantwoordelijkheid, ik hoef alleen maar kritisch te zijn op mezelf. Wat een ander doet of laat, daar ga ik niet over. Bovendien kennen we die ook alleen maar aan de buitenkant, het kan daar allemaal wel eens heel anders zijn dan ik denk of dan als men zegt.

Ook is er altijd de vraag: hoe is bij ons thuis de verdeling van de aandacht voor de zorg voor het materiële en anderzijds de zorg, aandacht en liefde voor elkaar? Waarbij het gaat over zulke woorden als: herder, opbouwen of herbouwen, fundering leggen, gezalfde (= gezegende zijn), deuren openen, verborgen schatten, bij je naam roepen, vrede maken. Allemaal woorden dus die iets ter sprake brengen van de goddelijke aanwezigheid midden in ons leven.

 

Jesaja vertelt hoe God nota bene een Perzische koning heeft uitgeroepen tot een soort messiaanse redder, die Jeruzalem weer gaat opbouwen en de fundering voor een nieuwe tempel gaat leggen. Deze koning Cyrus beschikt over alle harde aardse macht, maar uiteindelijk staat hij wel in dienst van het goddelijke rijk van vrede en recht. Waarmee Jesaja als zijn onwankelbare geloof uitspreekt dat alle hardheid en buitenkant uiteindelijk in dienst staat van het goede, van opbouwen in plaats van afbreken, van de verborgen schatten van het geloof in God, van de kwetsbaarheid van de enkeling, van liefde en vrede. – Waarbij u misschien net als ik denkt: nou, ik zie eigenlijk zo vaak het tegendeel gebeuren, dat ik grote moeite heb dat sterke geloof met Jesaja te delen. Vooral omdat hij er ook nog aan toevoegt dat God niet alleen vrede maakt, maar ook onheil schept. Dat wil zeggen God is de Ene, de enige werkelijke god die álles in de hand houdt. Er is geen tweede god, geen aparte god van het kwaad. God is de schepper van alles, van goed en kwaad, die toch aan het eind van elke scheppingsdag “zag dat het goed was”. Door alles heen zorgt Hij dat het goed wordt, hij wil dat de mensen gelukkig zijn en zich geen ellende op de hals halen, zegt Jesaja ergens anders.

Slimmeriken als wij zijn, bekruip ons dan de vraag: had God het dan niet allemaal wat beter kunnen regelen? Hij had toch ook géén onheil hoeven te scheppen? Maar dan vergeten we, dat vrede en onheil er al lang waren voordat wij mensen ons gingen afvragen wie God is. En de boeken van Mozes hebben er eeuwen lang over gedaan om daar zo wijs mogelijk iets over te zeggen. En ze deden dat ook met de grootst mogelijke toewijding en eerbied. Misschien kan dat ons wat bescheidener maken en ook zelf meet doen nadenken over de wereld waarin we leven.

 

Gek genoeg gaat de vraag aan Jezus over het betalen van belasting aan de keizer van Rome over precies zo’n tegenstelling tussen de buitenkant van het geld en de binnenkant van geloof en menselijke waardigheid. De strik die er in de vraag zit is de volgende: als Jezus ‘ja’ zegt, erkent hij vreemd gezag naast de Eeuwige God en kan hij door de Joodse religieuze rechtbank worden veroordeeld. Zegt hij ‘nee’, dan zou hij oproepen tot belastingweigering en aan de Romeinen kunnen worden uitgeleverd.

De reactie van Jezus is ongehoord slim: ‘Geef aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat God toebehoort’. Ook hier gaat het dus precies om het verschil tussen de materiële buitenkant en de binnenkant van het geloof. Over de waarde van zichtbaar en hard geld aan de ene kant en de verborgen schatten van geloof, rechtvaardigheid, zorg, tederheid en liefde aan de binnenkant.

We kunnen daarin de oproep horen om vindingrijk om te gaan met de talenten die een ieder van ons heeft meegekregen. Om onze zachte krachten van mens voor de mensen zijn, van recht doen en liefhebben, waar de geboden van Mozes over spreken. Van ieder ander mens, aardig of niet, zien als een medeschepsel van onze Ene God, iemand die ook bedoeld is als een gezegende. Van opbouwend zijn en blijven, ook als je ziet dat anderen afbreken. Dat is misschien wel de kern van geloven? Dat kan ook zijn: iemand helpen met geldzaken als je daar zelf toevallig goed in bent. Of ondersteunen bij het kopen van een goede fiets, een auto of een huis.

 

Tot slot een klein voorbeeld, op de grens van een psychiatrische inrichting. Er verblijft daar een patiënt die niets van zijn familie moet hebben. Menselijkerwijs gesproken heeft hij daar trouwens ook bitter weinig van ontvangen. Een zeeman echter, iemand die in zijn werk gewend is met enorme zeeschepen om te gaan, van de ‘koude’ kant, bezoekt hem geregeld, koopt dan wat kleding met hem en dan gaan ze gezellig wat drinken. Na de echtscheiding van de zeeman vraagt de zieke hem: “Je blijft toch wel komen?” Begrijpelijk, want eerder was hij al eens in de steek gelaten. De zeeman belooft dat en maakt de familie duidelijk, dat als je iets kunt doen voor iemand die er zo beroerd aan toe is, je dat toch niet kunt laten? “En hij vindt dat zó mooi!”

 

Onderaan lied 834 dat we nu gaan zingen staan een paar regels van de kerkvader Augustinus:

Op de plaats waar ik was,

Wanneer zocht ik U daar?

En U stond gewoon vóór me!

Maar ik was ook van mezelf weggelopen

En kon mezelf niet meer vinden,

Laat staan U!

Amen.