Preek 20 april 2014

‘’Alsof het duister de ogen opent, alsof de nacht licht geeft en het graf spreekt,

alsof de dood tot leven brengt, Hij uit de dood geboren is. ‘’

Zo begonnen we de viering, met deze woorden.

Over Pasen kun je alleen spreken met woorden als alsof. Alleen in beelden en vergelijkingen, omdat het niet met gewone menselijke begrippen is te vatten of uit te leggen.

Voor Pasen moet je grote ogen hebben om verder te kunnen zien dan het gewone, om te kunnen doorzien.

Dood is dood natuurlijk, een mens die is gestorven gaat niet meer ademen en zo wel, dan zijn we in een horrorfilm beland, of in sciense fiction.

Ja, dat is waar, dood is dood.  En toch.. Wat wil Pasen ons meegeven?

 

De vrouwen om Jezus heen zijn hem het meest trouw gebleven. Zij liepen niet weg bij het kruis en zoeken zijn graf op. Vrouwen zijn daar over het algemeen beter  in dan mannen, die zich vaak geen raad weten met onmacht, ziekte, pijn.

 

Jezus is begraven, er ligt een grote steen voor zijn graf.

Tegen het aanbreken van de eerste dag van de week gaan Maria Magdalena en de andere Maria naar het graf. Om het graf te aanschouwen, staat er. Het woord kan ook mediteren betekenen. Ze willen daar bij het graf stilstaan, denk ik, bij wat er is gebeurd, dichtbij Jezus zijn van wie ze zoveel ontvangen hebben. Maria Magdalena, van haar wordt gezegd dat Jezus zeven demonen bij haar uitdreef.

Ze is van ziek weer gezond geworden, ze is geheeld naar lichaam en ziel. Het is een wonder dat deze man in haar leven kwam. Ze heeft alles aan hem te danken. En dat juist deze man zo gruwelijk vermoord moest worden. De kruisdood  was een afschuwelijke dood. Een lange martelgang waarbij je uiteindelijk stikt. De verslagenheid om zoveel geweld dat mensen elkaar kunnen aandoen, moet groot zijn geweest.  Toch hebben ze weer de moed om bij hem te zijn. Je kunt je voorstellen dat de angst voor de mensen die dit hebben gedaan te groot zou zijn om de straat op te gaan. Maar ze komen.

 

En dan een beven, een aardbeving, zegt het verhaal. Een engel  daalt neer uit de hemel, komt naderbij , wentelt de steen weg en gaat erop zitten. Zijn uiterlijk is als bliksem en zijn kleding wit als sneeuw.

Een engel kun je niet zien met het blote oog,  een engel kun je niet met een camera vastleggen. De vrouwen zien, maar anders: het beste kun je zien met je hart, is een uitspraak uit het boekje’’ De kleine Prins.’’  Ze zien niet iets feitelijks, ze schouwden vanuit hun innerlijk. Je moet een soort antenne hebben om een engel te kunnen zien. Een bepaalde openheid.  Een engel verschijnt aan je..

Is het misschien zo dat deze vrouwen een engel kunnen zien, omdat ze hebben ervaren dat Jezus alles voor hen was, dat zij in hem hun engel hebben ontmoet en dat het daarom niet waar kan zijn dat alles voor niks is geweest?  Alle kostbare momenten van ontmoeting en aandacht, van liefde die voelbaar was.

 

De mannen die het graf bewaakten beven van angst en vallen als dood neer, staat er. Grafbewakers bevinden zich niet alleen bij het graf van Jezus, maar ook in onze ziel, zegt de geliefde schrijver en monnik Anselm Grün. Zij zorgen ervoor dat alles bij het oude blijft, dat ons ware zelf begraven blijft, dat de eigenlijke mens in ons niet opstaat.

 

‘’Er is in het verhaal van ons leven soms een knik.
Het gaat anders dan je gedacht had:
een verlies treft je,
een vriend gaat van je heen,
je huwelijk valt uit elkaar,
contacten lopen dood.
Je eigen levensverwachting loopt vast,
je vindt geen werk of raakt het kwijt,
je komt alleen te staan.
Je moet op je oude dag je huis verlaten.
Je meest geliefde wordt dodelijk ziek.
Op de weg van je leven ligt een steen
die onverzettelijk lijkt.
Wie zal hem wegrollen?
Op diezelfde weg kun je iemand ontmoeten:
iemand spreekt je aan,
iemand tikt je op de schouders,
een woord raakt je hart.
De steen komt in beweging.
Je kijkt niet in een donker gat, maar je ziet licht.
Je voelt je uitgenodigd,
je voelt nieuwe kracht komen.
Het litteken blijft, maar de wond heelt.
Je bent opnieuw aanwezig.’’

 

Als een mens een engel durft te zien en opstaat, laat hij zich niet langer door de grafwachters van zijn ziel bepalen en beperken. Dan wordt de steen weggerold, dan komen er mooie kanten tevoorschijn waarvan je niet dacht dat je ze in je had. Als we van onze diepste  angst zijn, bevrijd, kunnen we gaan stralen.  Want we zijn geboren om de glorie Gods die in ons is te openbaren, zei Nelson Mandela.

De vrouwen krijgen te horen dat zij niét bang hoeven te zijn. Dat de Gekruisigde is opgewekt en hen voorgaat naar Galilea, waar ze hem zullen zien.

Jezus is niet meer in het graf, ze moeten terug naar Galilea. Niet voor niks naar Galilea.

 

Daar, in Galilea, is het allemaal begonnen.

Daar leerden zij wat navolging wil zeggen. Daar zijn de dorpen en steden waar zieken werden genezen en mensen aan zichzelf teruggegeven. Daar vertelde Jezus zijn gelijkenissen en deelden ze hun leven met hem. Daar waar het rijk van de liefde in hun midden opbloeide, daar is hij nog steeds, en niet langer in het graf. Niet één van de woorden, waarin zij hebben geloofd, niet één van de daden die zij voor zich zagen, is teniet gedaan, weerlegd of verloren. Alles blijft bestaan wat in goedheid is gedaan.

 

En daar gaan de vrouwen, opgetogen en haastig, van het graf weg, om het aan de leerlingen te gaan vertellen. Op dat moment komt Jezus hen tegemoet. Als ze in beweging komen, is hij daar ook weer. Dan zijn ze in staat hem te zien. Niet als ze in hun grafkamer blijven zitten. Jezus groet hen en ze lopen op hem toe en ze grijpen zijn voeten vast en ze bewijzen hem hulde. Vol dankbaarheid zijn ze om dit prille, nieuwe begin.

Ze hoeven niet bang te zijn, zegt ook Jezus. Ook hier klinkt de opdracht naar Galilea te gaan waar de broeders hem zullen zien.

Zien met andere ogen. Pasen is durven kijken met nieuwe ogen, is dromen durven dromen en vergezichten zien. Zien met je hart.

 

Er was eens een prins, die leefde op een ster. Hij voelde zich er vreselijk alleen, en daarom ging hij naar de aarde, om vrienden te zoeken. Toen hij op aarde gekomen was, ontmoette hij een vos.

‘Hallo’, zei de kleine prins, ‘wil jij mijn vriendje zijn?’ ‘Ja, dat wil ik wel’, zei de vos, ‘maar dat gaat zo maar niet: dan moeten we eerst heel lang samen spelen, en eten, en samen ruzie maken…’

En ze kwamen heel vaak bij elkaar en werden echte vriendjes.

Toen kwam de dag dat de kleine prins weer terug moest naar zijn ster.

‘O’, zei de vos, ‘ik moet huilen dat je weggaat.’

‘Het is je eigen schuld’, zei de kleine prins: ‘jij wou dat we vriendjes zouden worden.’ ‘Jazeker’, zei de vos. ‘En nu moet je huilen!’

‘Jazeker’, zei de vos.

‘Dus dan heb je er niets aan.’

‘Jazeker’, zei de vos. ‘Als ik voortaan naar zand kijk (en ik vond zand altijd een lelijke kleur), zal ik nu aan jouw mooie blonde haren denken en dat geeft een fijn gevoel. Bij alles zal ik steeds aan jou kunnen denken, en dan zal ik me beter voelen. En als ik je erg mis, en erom moet huilen, dan kijk ik naar de sterren, en dan zie ik je toch: met mijn hart. Want weet je, eigenlijk kun je nog het beste zien met je hart.’

(Uit ‘’De kleine Prins’’ van Saint-Exupéry.)