Preek 9 februari 2014

Gemeente van Jezus Christus.

 

De kracht van het kleine. Zout en licht zijn de kernwoorden van vanmorgen.

Een snufje zout, om het maar te zeggen met een recept uit de krant. Het vlammetje van een olielamp of een kaars. Weliswaar op een kandelaar…

In ieder geval geen schijnwerper die het hele stadion verlicht zodat voetballers hun wedstrijd kunnen spelen als was het dag.

Zo’n lichtje dat je in het stopcontact steekt en dan is het net niet helemaal donker in de babykamer.

Zie daar: de gemeente van Christus in de wereld. Stelt het veel voor?

 

De kracht van het kleine.

Is dat wat Deurloo Psalm 8 nazingt: “Het eerste kinderlijk geluid”, dat van een baby als het net geboren is. “Roept glorieus uw sterkte uit. Met onze kwetsbaarheid vertrouwd ontwapent Gij wat ons benauwt”.

Is het dat verhaal dat oma voorleest uit zo’n heel dik boek dat ze Bijbel noemt?

Is het wat we in de kerk “de preek”noemen?

Zijn het die paar druppeltjes water op je hoofd toen je als kind in de kerk werd gebracht? Misschien was jij al volwassen toen je gedoopt werd –

meer dan een paar vochtige vingers van de voorganger voelde je niet.

Is het dat vreemde droog geworden stukje brood en dat kleine slokje wijn waarvan men zegt dat het een “feestelijke maaltijd” is?

De kracht van het kleine.

 

Ooit was het wel anders.  Nog niet zo gek lang geleden toch?

Toen was de kerk ook in ons land een macht waar je rekening mee moest houden.

Een dominee kon minister-president worden.

Een liturg werd minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen.

De kerk had macht en bemoeide zich met alles –

zij plande mee hoe groot je gezin moest zijn – en het moest vooral groot zijn.

Zij was aanwezig in schoolbestuur en gymnastiekvereniging en slaapkamer.

Zij bemoeide zich met jouw politieke keuze. De kerk was er altijd – was overal.

Dat heeft wel iets aantrekkelijks. Als je op het Friese platteland staat en om je heen kijkt zie je soms wel vijf, zes kerktorens in de verte. De kerk: een vast oriëntatiepunt voor de reiziger. Letterlijk en figuurlijk. In Frankrijk zie je op bijna elke heuvel wel een kerk.

Een pelgrim zal er niet gauw verdwalen.

Ik denk aan dat monsterachtige grote Jezus – beeld, hoog boven Rio de Janeiro. Pas was de duim nog beschadigd door de bliksem. Deze Christus houdt heel de stad in de gaten ook al lijkt Hij – dat dan weer wel – Hij breidt Zijn handen zegenend over haar uit.

Kracht van het kleine? De kerk was er altijd. Soms wel troostend als een moeder. Vaak als die Grote Broer – die Big Brother – die je altijd zag, wat je ook deed.

Ook in je intiemste momenten keek zij met je mee.

 

Die macht is nu in ieder geval, althans in ons land, in west Europa, wel voorbij.

En past dat niet beter bij de God van Israël, bij Jezus Christus?

Was Kerstfeest daarom ook dit jaar weer niet zo’n ontroerend feest omdat God –

Hij zal wel machtig zijn – Schepper van hemel en aarde noemen we Hem –

Hij zal wel groot zijn – groter dan je hart, groter dan wij denken –

Hij zal wel heilig zijn – zuiver, rein, schoon en heerlijk –

-1-

Maar juist deze God komt in onze wereld, zo menselijk als wij.

God: een kind in ons midden.

 

En dat Kind, zo meldt ons het Evangelie van Lucas,

groeide wel op in gunst van God en de mensen…. Maar over die groei spreek je in Bijbeltaal het beste als over de groei van een mosterdzaad. Het kleinste van alle zaden. Misschien nog beter – al weer op weg naar Pasen – met het beeld van de graankorrel die uitgestrooid wordt over de akker – sterft in de aarde.

Zo zijn er vandaag voor deze God, voor Zijn kracht – zo zijn er voor Zijn kind Jezus de beelden van een snufje zout – een kaarsvlammetje….

Zo horen we de woorden van God: zij zijn het zout der aarde!

Zo beleven we de tekenen – het heilig sacrament van doop en avondmaal: licht op ons pad…

Net genoeg om niet te struikelen en als we vallen – en wie struikelt niet af en toe – net genoeg licht om toch weer op te staan.

 

De kracht van het Klèine!

Maar met dat kleine: “Dat eerste kinderlijk geluid”, dat oude verhaal – die waterdruppeltjes van de doop, dat stukje brood, dat slokje wijn – met dat kleine wordt vanmorgen het woord “kracht”, verbonden. Terecht?

 

Kracht van zout? Kracht van een olielichtje? Ja toch?

Dat brood dat zo lekker warm nog geurt in de keuken… Hé bah. Heb je het zout vergeten?

En waarom lukt het zomaar bij het licht van een kaars?

Nee! In het zakelijke licht van de fabriek leer je elkaar niet kennen.

Bij het grote licht van de neonbuizen kom je elkaar niet nader.

En toch moet je eens praten – als man en vrouw…. Weer eens praten met je ouders… Nog eens  horen wat je kinderen nou toch beweegt…. Ruimte geven aan het verdriet van je vriendin… Dan steek je een kaars op…Dan ga je open voor de ander – de warmte komt…

 

De kracht van zout en licht.

Zeker in de dagen van Jezus kende men die kracht. Zout was uiterst kostbaar. De Romeinse soldaat werd voor een deel met zout betaald.

In het Latijn is dat “sal”. Ons woord salaris komt er van!

Karavanen moesten het van ver halen.

Zout is sterk om het bederf te weren.

Groente, vlees, vis: goed gezouten blijft het maandenlang goed.

Licht. In die dagen toen het nog echt donker kon zijn…. Wij met onze dag en nacht verlichte wegen en steden weten nauwelijks meer wat donker is…

Kinderen weten, beseffen nog iets van het dreigen van de nacht….

De zieke met die knagende pijn… De manager die al weer wakker ligt van het werk dat niet lukt… De scholier die morgen tentamen heeft… Dan is er nog wel besef van wat donker is, van die vreselijke eindeloze nacht….

En als je dan een lichtje maakt….

 

De kràcht van het klèine!

Jezus! Kijk Hem: een snufje zout, een olielichtje.

Jezus? De leerlingen toch? Die schare wellicht: die massa meelopers. Dat volk Israël ook?

En daarin weten wij ons toch ook aangesproken?

Jezus zegt toch – ook tot ons -: jullie zijn het zout… Julie zijn het licht!

-2-

Is dat niet het meest wonderlijke van dit Evangelie?

Wij worden zout der aarde, wij worden licht der wereld.

In ons mogen mensen die wonderlijke kràcht van het klèine herkennen.

“Het eerste kinderlijk geluid roept glorieus Gods sterkte uit”.

De profeet Jesaja helpt me om dat goed te begrijpen.

Kijk: de Amsterdam Arena of ook wel die schaatstempel van Sotchi.

Op de tribune alle volken van de wereld en de hemel en de aarde en alles wat er leeft…

“Gij”, hoor ik van Jesaja: “Gij – jullie samen zijn getuige!  Jullie hebben het gezien; jullie waren erbij. Bij de bevrijding van Israël. Bij de verlossing uit de slavernij.” En ik mag toevoegen: “Jullie waren erbij in de stal van Bethlehem; in gedachten bij het kruis van Golgotha; op die paasmorgen, morgen ongedacht. God gaat iets nieuws beginnen

en jij gaat het zien.

Het is al begonnen. Merk je het niet?”

 

Daarom zijn wij zout der aarde, daarom licht voor de wereld.

Wij waren erbij toen deze God in Jezus Christus in ons midden kwam.

Wij waren erbij, verbijsterd op de Goede Vrijdag toen Hij weerloos was in de handen van de mensen: gekruisigd, gestorven, begraven.

Wij waren erbij toen – op die grote morgen – Hij!  Opgestaan, levend, onder ons verschenen. Wij waren erbij op die Pinksterdag toen de Heer is weergekomen: Heilige Geest als wind en vuur, als zout en licht.

 

Wanneer waren we erbij? Wanneer waren wij getuige van de grote daden van God?

Toen toch – het oude verhaal werd ons als nieuw uitgelegd.

Toen toch – een paar waterdruppeltjes op ons hoofd.

Toen toch – neemt en eet, gedenk en geloof:brood voor ons gebroken, wijn voor ons vergoten.

 

De kracht van het kleine is Jezus Christus.

Het zout der aarde is het woord dat Hij was in het begin, dat Hij gesproken heeft, dat Hij volbracht heeft. Het licht der wereld is de Geest die Hij ons gegeven heeft. Over ons uitgeblazen. In ons aangeblazen.

 

Door die Geest geleid worden wij getuige en onze woorden hoe mooi en dichterlijk soms; hoe stamelend en stuntelig vaak – worden zout der aarde; worden een kracht als jij het niet meer aankunt; worden troost nu jij door zo’n diep dal gaat, worden stok en staf nu jij zo moeizaam uit de voeten kunt.

Worden woorden van vertrouwen nu je een nieuwe relatie toch weer aandurft.

Door de Geest van God worden we getuige en onze daden: dapper gedaan soms, aarzelend en met veel vragen – toch maar doen –  worden licht voor de wereld.

 

De kracht van het kleine. Jezus: Zoon van God, Kind van Maria.

“Met onze kwetsbaarheid vertrouwd ontwapent Gij wat ons benauwt”.

Ons! Wij: Gods aangenomen “mensenkind”:

“Geen sterrenhemel houdt hem klein; de mens mag vorst der aarde zijn.

Gij kroont hem als Uw bondgenoot en maakt hem bijna goddelijk groot”.

 

Dat is de kracht van het kleine.

 

AMEN!

-3-