Preek 5 januari 2014

Stel je voor dat het toch waar blijkt te zijn.

Als ons laatste oude jaar voorbij is gegaan.

Straks, staan we daar plots voor de hemelpoort.

Wie had dat gedacht, ja wel gehoopt natuurlijk.

Want alleen het leven hier, we willen maar al te graag een vervolg.

Maar daar staan we dan.

 

De hemelpoort.

Daar komt iemand naar buiten.

Blijkbaar is dat geen probleem. Je kunt zo maar in en uit lopen.

Dat is in ieder geval bemoedigend.

 

Een man met een grote wilde baard.

Waarempel het is Mozes.

‘Jongelui, deze kant op’.

Ja, je moet weten Mozes was 120 jaren oud toen God hem meenam. Vandaar dat jongelui.

Deze kant op dus.

Er staan wat bankjes voor de poort.

Daar gaan we zitten. Nou zal het gebeuren.

 

‘Eens’, zo begint Mozes, ‘kwam er een man naar mij toe. Hij zei ‘Mozes, ik weet niet hoe ik moet bidden. Ik zou het wel willen. Maar elke keer als ik mijn ogen sluit en mijn handen vouw, dan denk ik ‘zou God wel bestaan’.  ’t  Is niet dat ik niet geloof. Maar soms weet ik het gewoonweg niet.

En wat moet ik dan bidden?

Ik ben schoenmaker, en niet zomaar één. Ook al lijkt het nog zo’n nederig vak. Maar je moet weten, als mensen goede schoenen hebben, dan lopen ze lichter door het leven heen.  Daarom probeer ik mijn schoenen zo goed mogelijk te maken.

En als ik zo werk, dan denk ik,

‘al kan ik dan niet bidden, dan moet God dit werk van mij maar zien als mijn gebed’.

‘Maar man’, zo zei  Mozes ,’zo kan je niet bidden. Ik zal je leren welke woorden je moet bidden. En dat heb ik gedaan. Ik heb hem alle woorden leren bidden die daarover in de bijbel geschreven staan.’

 

En toen nam God mij mee. En we kwamen bij deze poort.

En God vroeg mij.’Wat heb je gedaan, wat heb je geleefd’.

En samen liepen we mijn leven door.

Zo kwamen we ook bij de schoenmaker die ik de woorden had leren bidden.

Maar God zei: ‘Wat heb je gedaan? Je hebt hem zijn meest eigen gebed afhandig gemaakt . Denk je dat het mij om de woorden gaat?

Dat een mens precies op een rijtje moet kunnen zetten wat hij of zij wel of niet geloofd.

En dat ik bijhoudt wie of wat bidt?

Het gaat mij om het hart.’

 

En Mozes zegt dan:

‘Elk gebed dat een mens bidt heeft maar één doel.

Dat is dat een mens ontdekt dat in al ons zoeken en vragen wij onnaspeurbaar verharden aan het leven.

Door wat we meemaken,

aan teleurstellingen, aan tekort,

waar we ons niet gezien weten door wie ons lief zijn,

de mensen die voor ons belangrijk zijn,

aan ziekte en mogelijkheden die ons worden ontnomen.

En vooral ook door de angst voor de dood.

Steeds meer verharden we aan het leven, zonder dat we het beseffen.

Bidden helpt je om je te bepalen bij wat er werkelijk toe doet in het leven.’

Mozes zwijgt.

 

Hij staat op.

En loopt door de hemelpoort.

Hij draait zich om en zegt: ‘Als je wilt mag je binnenkomen. God wacht op je.

Je weet al welke vraag je krijgt, ik mocht het je wel verklappen, het is geen verrassing:

‘Wat heb je gedaan? Wat heb je geleefd? ‘

 

Tja en dan, we staan maar op, de kinderen zijn ons al lang voor gegaan.

Zij vrezen niet.

 

En als we binnen lopen door de poort, dan zitten daar drie wonderlijke figuren.

‘Dat bin’ de wiez’n uut et oost’n’ fluistert Harm.

Ja, zo zien ze er wel uit.

Mooie kledij, statige uitstraling.

 

Ik word nu toch wel nieuwsgierig. En ik loop naar ze toe.

En vraag hen ‘Is het dan toch waar? Is het echt zo gebeurd zoals beschreven staat.

Dat jullie een ster hadden gezien.

En de drie wijzen beginnen onbedaarlijk te lachen.

‘Ja’, zegt Balthazar, ‘’t Is haast te mooi om waar te zijn, nietwaar? ‘

En weer moeten ze lachen.

 

Het verhaal van drie wijzen uit het oosten.

Een  verhaal dat haast te mooi is om waar te zijn.

Om het maar duidelijk te zeggen: dat is het ook.

Het gaat er in de bijbel dan ook niet om wat waar is. Want wat is waar.

Waar en onwaar betekent meestal strijd. De één wel, de ander niet.

Nee, het is te mooi om waar te zijn omdat het daar niet om gaat.

 

 

Wij worden niet zo veel wijzer door de jaren heen.

Maar één ding kan je wel leren. Dat het gelijk nooit aan één kant ligt.

Meestal in het midden.

Als je ruzie hebt, of een discussie, als je het oneens bent.

Een ieder heeft zijn of haar kant van het verhaal. En daarmee ook zijn of haar kant van het gelijk, van wat waar is.

Het gaat niet om wat waar is, wie gelijk heeft.

 

Het gaat om iets anders, niet om geschiedenis, niet om hoe Jezus werd geboren, en toen dit en toen dat.

Het gaat om iets heel anders, om de binnenkant van het verhaal.

De binnenkant van een verhaal dat is, wat het verhaal met jou doet, of het betekenis voor jou heeft.

 

‘Loop maar door, ‘ zegt één van de andere wijzen. ’t Zal Melchior wel zijn. ‘kijk nog wel even binnen daar in de stal, verderop.

 

Zo loop ik door en zie daar een stal. Met kloppend hart loop ik er heen.

Is het dan toch waar? Is het echt zo gebeurd zoals beschreven staat?

 

En dan bedenk ik : ja, wacht eens even. Het verhaal is verder gegaan. Die stal, dat was helemaal in het begin van het verhaal. Bij die wijzen uit het oosten, die daar zo onbedaarlijk zaten te lachen toen ik hen vroeg of het dan toch echt waar was.

Dat is toch verleden tijd? Zo’n 2000 jaar geleden. Wat zeg ik 2014 jaar geleden, misschien zelfs wel meer.

We zitten nu toch in een nieuw jaar.

Daar gaat het toch niet om. Het gaat toch om….

En dan draai ik mij om en zie:

een engel.

 

De engel knikt bemoedigend.

Ik ben op de goede weg.

En ik kijk om me heen en ik denk ‘God’, waar ben je?

En op het moment dat ik dat denk ‘God, waar ben je? ‘ besef ik dat niet de vraag is ‘God waar ben je’.

Maar waar ben ik.

En zie ik om mij heen dat God overal is.
Niet te pakken in de letters van Zijn Naam.

Niet vast te leggen in mijn beelden, mijn verhalen.

Overal zichtbaar onzichtbaar aanwezig.

En weet ik mij gedragen door een liefde waarop de dood geen antwoord heeft.

 

Kon ik het maar vasthouden, maar ik weet ook dat ik dat niet kan.

Net zozeer als ik probeer om mijn leven te beheersen, maar elke keer weer moet ontdekken dat dat niet lukt.

Ja, ik kan wel veel. Ik kan kiezen om dat te doen wat belangrijk is.

Ik kan kiezen om de mensen die voor mij belangrijk zijn met aandacht en liefde te benaderen.

Ik kan er voor kiezen om mijn werk met veel toewijding te doen. Schoenen maken, preken schrijven, oliebollen bakken, beleid uit zetten. Alles, alles kan je doen zonder je hart  of met je hart. Jij maakt het verschil.

Ik kan kiezen om de mensen die mij lief zijn te zeggen hoe belangrijk ze voor mij zijn.

Alleen al om duidelijk te maken hoe belangrijk dat is, om het met elkaar te vieren.

Ja, jij ook voor mij.

 

En tegelijkertijd. Ik wil mijn leven beheersen, maar kan dat niet.

Er komen dingen op mijn pad, verrassend mooi, onthutsend verdriet. En dan ben ik alle regie kwijt.

En moet ik het maar weer ontdekken dat ik niet de baas ben in mijn eigen huis.

’t Is maar zo tijdelijk als het oude jaar.

Ik kan het niet vasthouden.

 

Net zo min als ik mijn leven kan vasthouden kan ik God vasthouden.

 

Ik ben niet de enige die dat heeft ontdekt.

Er zijn veel mensen die hebben ontdekt dat ze God niet kunnen vasthouden.

Niet in woorden, niet in beelden, niet in hun geloof.

En dan laten ze God maar los.

De kerk heeft het ons ook niet altijd gemakkelijk gemaakt.

 

Alleen wat dan.

Ik heb er geen moeite mee als mensen hun beeld van God los laten.

Maar wat ik zo jammer vind, dat is als ze hetkerst kind met het badwater weggooien.

Dat er dan niets meer rest.

 

Gelukkig zijn er veel mensen die dat niet doen.

Die zeggen  ‘Ik kan het niet meer zo geloven. Maar ik geloof meer in….’

En hun geloof is dan niet meer zo zeer in woorden, maar in hoe ze leven.

En zo zoeken ze een weg om recht te doen aan zichzelf en aan de mensen om hen heen.

Ze worden jeugdtrainer bij SVN, of doen vrijwilligerswerk in het Kerspel, collecteren voor, enzovoort.

 

Als je niet meer uit de voeten kunt met het oude beeld van God, betekent dat niet dat je niet meer gelooft. Maar dat betekent dat de oude taal niet meer voldoet en dat je een nieuwe taal nodig hebt.

En het kerstkind met het badwater weggooien, dat is dat je dan alles maar overboord zet, in plaats van dat je het avontuur aangaat en zegt

‘Dit kan niet meer. Maar stel je nu een voor dat het toch waar blijkt te zijn. ‘

 

En weer sta je voor de hemelpoort.

Zou die wel echt zijn?

De hemelpoort.

Daar komt iemand naar buiten.

Blijkbaar is dat geen probleem. Je kunt zo maar in en uit lopen.

Dat is in ieder geval bemoedigend.

 

Een man met een grote baard.

Warempel het is één van de wijzen uit het Oosten.

Wat heeft die nu nog te melden.

Hij wenkt en zegt ‘Kom eens mee’.

En hij duwt me een kistje in de handen. Een prachtig kistje.

En dan komt er nog een wijze bij en nog één.

En met z’n vieren lopen we naar binnen.

En daar is weer die stal.

En we gaan met z’n vieren naar binnen.

 

De wijzen zij knielen neer

en ze geven hun geschenken.

En ik,

ik ga ook maar door de knieën

en iemand vraagt dan

’Wat zit daar in dat kistje?

 

De tranen lopen mij over de wangen.

En ik zeg ‘Ik weet het niet, ik weet het niet.

Ik heb het ook maar gekregen.

Misschien is het wel leeg.

Meer heb ik niet te geven.

Ik had niet durven hopen dat het waar zou kunnen zijn.

 

Dan besef ik het:

hier begint mijn nieuwe leven, mijn leven opnieuw.

Waar ik mij zelf ontvang

van het kind in de kribbe.

Van de wijze die lacht om wat ik o zo graag wil vasthouden

Van Mozes die mij heeft leren bidden met mijn handen.

Van al die mensen om mij heen die zeggen:

‘blijf zingen, blijf bidden, blijf zoeken, blijf liefhebben,

God is er al

Hij is ons het nieuwe jaar al voorgegaan.

 

Amen.