Preek 24 december 2013

Als je ’s ochtends wakker wordt en de dag begint, dan ben je zonder dat je het eigenlijk weet al weer aan het denken.

De één nog wat onuitgeslapen moet zich nog door het huis waden, alsof het halfduister is. De ander is al bezig wat die dag gedaan moet worden.

Zonder dat je het werkelijk beseft ben je al weer bezig om je leven in te vullen en op je te nemen.

Soms, als het tegen zit, de kinderen ziek, het werk taai, zwaar of vol stress, of geen uitzicht hebt op werk, of een lange lege dag wacht,

dan voelt het zwaar om op te staan.

Soms gaat het niet zoals je wilt, ondanks alles wat je hebt.

 

We weten wel, kijk je terug in de tijd, of kijk je in de wereld om je heen,

dan moet je toegeven dat wij het beter hebben dan de meeste mensen waar ook ter wereld, en in welke tijd dan ook. We hebben het niet slecht, bepaald niet. En het schijnt dat de meeste mensen ook best wel gelukkig zijn.

Daar ligt het niet aan.

En toch, toch, het lijkt wel of het nooit genoeg is.

We blijven altijd zoeken, altijd verlangen.

Wat we nodig hebben en wat ons gelukkig maakt is blijkbaar toch iets anders.

 

Wat we ten diepste verlangen is eigenlijk iets heel eenvoudigs.

We zoeken bij de ander, bij de mensen die ons dichtbij staan, dat ze ons lief hebben, en dat wij onze liefde mogen geven.

Als een soort bewijs ook dat je goed genoeg bent om liefde te geven.

 

We zoeken geborgenheid.

Iemand bij wie we ons thuis voelen, veilig voelen, die ons neemt zo als we zijn, met gebreken en al.

Waar we rustig bij kunnen liggen, lepeltje lepeltje, of hoofd op de borst van de ander.

Als een schuilplaatsje in de wereld om ons heen waar je steeds moet presteren, er moet zijn, en voor je zelf op moet komen.

Een schuilplaats, dat is het ene.

 

Maar niet alleen om bij weg te schuilen, zulke angsthazen zijn we ook weer niet.

 

We willen ook om een basis hebben van waaruit we het leven aankunnen.

Met lef en met zin. Dat we ons sterk voelen en naar buiten toe gaan.

Andere mensen tegemoet, werk aanpakken, studie, carrière, een project, een klus, we gaan wat van het leven maken, wat zeg ik: ik ga wat van mijn leven maken.

Ook dat willen we en daarvoor heb je blijkbaar ook een basis nodig.

 

 

Ook al zijn we vaak gelukkig het leven is nooit vanzelfsprekend.

Je moet er ook voor vechten.

En soms wordt je daar moe van. Doodmoe.

(Iemand zei eens ‘zonder de dood zou het leven ondragelijk zijn’.) (J. Lacan)

 

In de verhalen die we hier vaak lezen, in de bijbel, wordt het dan donker, nacht.

Donker in de bijbel, gaat meestal niet over de tijd, maar gaat over duisternis.

Je kan het haast niet meer meemaken tegenwoordig.

Omdat bij ons zoveel lichten zijn.

Op de weg naar Meppel is het nooit echt donker door de lantaarnpalen.     Laat staan in huis, waar we allemaal lampen hebben.

Zelfs als je op de hei  komt hier bij Havelte ’s nachts zie je aan de lucht de weerschijn van de verlichting van Havelte, van Meppel.

 

In de tijd dat Jezus werd geboren, en eigenlijk nog tot – pak hem beet – 100 jaar terug, toen was het nog echt donker.

Buiten sowieso. Er was nauwelijks of geen buitenverlichting. Ging je het dorp of de stad uit, dan was het echt aardedonker.

Maar zelfs binnenshuis was er in de meeste huizen nauwelijks licht omdat olie en kaarsen kostbaar waren.

 

Duisternis was overal.

De nacht was geen tijd

maar een plaats

waar rare, dreigende wezens woonden.

 

De mensen woonden bij elkaar, in dorpen en boerenstedes, soms een stad.

Wie zich buiten het vertrouwde waagde.

De rand van het dorp, de boerderij, kwam in het land van niets, een onland.

Een vlakte waar je zo maar verdwalen kon.

Daar in het duister woonden geesten. Zo werd verteld.

Je had goede geesten en boze geesten.

Van tevoren wist je niet we je daar zo maar tegen kon komen en hoe het zou aflopen.

En je had mensen die daar weet van hadden, van verborgen krachten.

Tovenaars en heksen werden ze genoemd.

 

En vergis je niet tot op de dag van vandaag kan je ze zien op t.v.:

mensen die helderziend zijn, bijzondere krachten hebben, met geesten praten, noem maar op.

Ik heb het nog wel meegemaakt, de gewoonte om een slag om de kerk te maken bij een begrafenis. Een oude gewoonte als iemand stierf dan liep men drie maal om de kerk,

om zo de boze geesten te verwarren, zodat ze de dode niet meer lastig zouden vallen.

 

Hoe komt het dat mensen dachten dat er boze geesten bestonden? En heksen en demonische krachten.

Misschien, ik weet het niet zeker, wie wel, maar is dat ook eenvoudig te begrijpen.

Kijk maar naar jezelf of kijk maar om je heen.

 

Snap jij alles wat je zelf doet, of wat de mensen om je heen doen.

Één van de meeste pijnlijke dingen die ik keer op keer tegenkom in mijn werk, dat is dat ik zie hoe mensen, inclusief mijzelf, ontzettend hun best doen,

en er toch niet slagen om het goed te maken met elkaar.

Vooral niet met elkaar.

Je best doen, en het lukt niet, in je relatie, op je werk, met je ouders, met je kinderen.

 

Soms worden mensen kwaad en dan snap je het niet, je bedoelde het zo goed. En de ander is dan zo onredelijk of zo gekwetst.

Zo machteloos kan het zijn.

En als je dat te vaak meemaakt, te lang, dan kan je daar moedeloos van worden: wat moet je er mee.

Blijkbaar zit ons leven vol ongerijmdheden, waar we nooit mee klaar komen. Elke keer weer.

We weten altijd wel goed om ons eigen gedrag recht te praten en toch voelt ook dat niet goed.

 

Dat is de duisternis. De nacht

Als het in de bijbel donker is, dan is dat meestal donker binnen in. In jou, in mij, tussen ons.

 

*

Daarom ook is in de nacht Christus geboren.

Want het gaat niet in de eerste plaats om dat kindje wat toen geboren werd.

Het gaat voor alles om ons, dat wij in dat verhaal van die mens, Jezus, anders naar ons zelf mogen kijken.

 

Kerstmis is niet de verjaardag van Jezus. We weten helemaal niet wanneer Jezus is geboren. We weten niet eens het jaar. Laat staan de datum.

Kerstmis is bedoeld om ons duidelijk te maken dat onze nacht, mijn nacht, waar ik in het duister tast, niet het laatste woord is.

 

We vieren kerstmis drie dagen na de kortste dag, of moet je zeggen na de langste nacht. En dat is geen toeval.

 

Je merkt het aan den lijve, je moet wennen, eerst aan de kou, de grauwheid. Daarna aan de korte dagen. De avond begint weer veel te vroeg, je eet in het donker, ’s ochtends en ’s avonds.

Wij zijn mensen die verlangen naar warmte en licht.

Daar is het kerstfeest, het feest van het licht mee verbonden, met die ommekeer.

*

De midwinterhoorn.

In het hele duister buiten, al ver voordat ons land christelijk werd klonk de midwinterhoorn.

Waarom, dat is niet helemaal duidelijk.

Heel praktisch was het als een boer hulp nodig.

Je had nog geen WhatsApp, Twitter, Facebook, ja, zelfs geen telefoon.

Je snapt, dat waren nog eens barre, barre tijden.

Als een boer hulp nodig had, dan blies hij op de midwinterhoorn, en de boerderijen in de omgeving die dat hoorden, wisten dan, daar is iets aan de hand.

 

Er zijn ook andere verhalen.

Zo zou op de midwinterhoorn worden geblazen bij een feest wat al lang voor het christendom bestond, een oud-Germaans feest,

het joelfeest om de god Wodan, waar onze naam woensdag vandaan komt, te helpen om de wolf Fenrir te verjagen, die de zon verslond waardoor de dagen steeds korter werden.

Met blies op de midwinterhoorn om de boze geesten te verjagen.

En dan komt het weer bij elkaar, die lange duistere nachten en die boze geesten.

 

Duisternis was overal.

En de nacht was geen tijd

maar een plaats

waar rare, dreigende wezens woonden.

 

De koude en de duisternis buiten zijn een spiegel van wat we binnenin voelen, waar we raken aan onze eigen onmacht, ons eigen geweld, ons kwetsbaarheid.

 

In Jezus Christus is een mens geboren die in zijn levenswijze en in zijn verhalen sprak van God.

 

En daarin wordt God niet zichtbaar als een bovenmenselijk wezen die het leven regeert en bestuurt op een voor ons onbegrijpelijk wijze.

Het beeld waar veel mensen op stuk lopen tot op de dag van vandaag.

Zeker als je te maken krijgt met de willekeur van het leven, de duisternis.

 

Ik geloof niet dat God zo aanwezig is.

Het is mij te willekeurig, dan moet ik gaan zeggen waarom iemand ziek word of dood gaat, of in land als Syrië wordt geboren.

In zo’n god kan ik niet geloven.

 

Hoe dan.

Misschien moeten we God bevrijden van alle dingen die we in Zijn schoenen schuiven.

Misschien is het leven wel gewoon het leven, en is God heel anders aanwezig.

Zo geloof ik het.

 

Wat zie ik in Jezus.

In zijn doen en laten, was hij een mens van licht,

hij koos er voor om mensen te genezen in plaats van ze ter zijde te leggen

hij suste de zieken niet, maar deed ze opstaan,

hij veroordeelde niet maar riep op tot verantwoordelijkheid

 

En daarin, of misschien moet je zeggen, daaruit leefde hij met een God die hij Vader noemde. Een liefdevolle.

Een God waarvan hij vertelde in gelijkenissen die steeds weer de mensen in de vrijheid zet.

Een God ook die hij niet vastpinde, zo van, dit en dat is God en zus en zo moet je doen.

Ik lees in de woorden en de verhalen iets fundamenteel anders. Dan zie ik een mens verschijnen die zich zo gekend en zo gedragen wist door God dat zijn leven niet meer kapot kon. Ook niet, zelfs niet toen het fout ging.

Als door het licht gedragen.

 

Misschien kan je het hiermee vergelijken:

Bij de dood van Mandela, schreeft Etienne van Heerden een gedicht, daarin schrijft hij

‘Maar de dood is te klein voor je woorden

en luid galmt je groet,

bedoeld voor het landschap, voor alleman

en alle oor.’

 

Toen dat licht binnenkwam in ons land, daar ergens in de middeleeuwen.

Toen kreeg de midwinterhoorn ook een andere betekenis.

Niet langer meer bedoeld om de boze geesten te verdrijven.

Want zo weten we nu wel, die boze geesten, daar geloven we niet in.

Wij zelf dragen het leven in ons, met al het goed en kwaad, en wij zelf moeten daar mee klaar komen, onze weg vinden.

 

De midwinterhoorn werd een aankondiging van de geboorte van het Christuskind.

en luid galmt je groet,

bedoeld voor het landschap, voor alleman

en alle oor.’

Daarom ook hoor je haar alleen van advent tot driekoningen, van de tijd van de aankondiging tot de tijd als de wijzen uit het Oosten, het kind vinden in een stal, en in dat kleine kind Christus herkennen.

 

Daar gaat het om.

Of je in die ene mens het Licht kan toelaten in jouw leven.

Niet dat je dat hoeft te evenaren, dat lijkt me wat te veel gevraagd.

Zelfs niet, dat je dus in God moet geloven.

Als je dat kan is dat mooi meegenomen.

In God geloven is bepaald niet vanzelfsprekend.

’t Maakt het misschien wel makkelijker om voeding te krijgen.

 

Ik spreek liever van het Licht, want daar kan ik beter bij komen.

 

Duisternis, dat is wat je tegenkomt in het leven en wat je langzaam maar zeker, bijna onzichtbaar kan verharden, kan verstommen, je grijs kan maken, zodat je je dromen verliest, je enthousiasme, je speelsheid. Waarin je je terugtrekt in je eigen gelijk in je eigen kleine wereldje.

Het licht, dat is dat je de lichtheid van het leven kan blijven proeven, door alles heen.

Licht dat is de ontdekking dat je leven kostbaar is, bijzonder is als jij je eigen leven ter hand neemt en zegt: ‘dit wil ik zijn, dit wil ik betekenen.’

En je levensweg, dat is dat je gaandeweg ontdekt dat het enige wat er wezenlijk toe doet geborgen is in de liefde die je van de ander kunt ontvangen en kunt geven.

 

Laat zo Christus geboren worden

in het duister van de nacht

in het hart van je bestaan om je leven op je te nemen

gedragen door een licht waar we geen woorden voor hebben

alleen maar de verhalen

over een kind, een stal, een paar schapen, een midwinterhoorn

 

Als het maar klinkt

en weerklinkt

dat jij het bent

gezien, gehoord, gevonden en bemind.

 

Amen.