Preek 8 september 2013

De overdenking die ik deze zondag heb gehouden wijkt sterk af van de tekst hieronder.

U kunt de gehouden overdenking ook afluisteren via de site:

kijkt u dan onder het kopje ‘de dienst’ bij ‘kerkdienst beluisteren’.

 

Hieronder vindt u wat ik op het papier had staan…

 

Jezus doet het tegenovergestelde van wat wij doen.

Hij haalt de mensen bepaald niet binnen.

Jezus zegt JE MOET NIET JE VRIENDEN OF JE BROEDERS OF VERWANTEN OF JE BUREN UITNODIGEN.

Maar nodig de bedelaars uit, misvormden, lammen en blinden.

 

En nu heeft de gegoede christenheid het nog voor elkaar gekregen om dat weer heel vroom te maken: het opgeheven vingertje. Mensen zo zouden wij moeten leven, de bedelaars, de misvormden, lammen en blinden, de hoeren en de tollenaars.

’t Is wel wat Jezus zegt hier in het verhaal. En hij  is daar heel duidelijk in.

We doen dat niet zo maar.

 

Kijk naar het verhaal hoe het verdergaat.

Als Jezus dat heeft gezegd, je moet niet je bekenden uitnodigen, maar degene die, nu ja, vul maar in. Dan reageert daar iemand met de opmerking:

ZALIG WIE BROOD ETEN ZAL IN HET KONINKRIJK GODS.

 

U heeft helemaal gelijk, dat zouden we moeten doen. Zo ben je een goed mens.

Maar wederom, wat Jezus doet, dat is precies het tegenovergestelde van wat je zou verwachten. Hij zegt niet ‘buurman we zijn het eens’.

Hij vertelt daar de gelijkenis van de verontschuldigingen, die we hebben gele­zen.

Dat is een beledigende gelijkenis.

Een gelijkenis, waar de één na de ander een verontschuldi­ging heeft om zich aan de maaltijd te onttrekken.

De angel zit hem in die laatste zin die Jezus daar in de mond wordt gelegd:

niemand van die mannen die genodigd waren

zal van mijn maaltijd proeven!

 

Waarom doet Jezus dat nu? Waarom werkt hij zo afstotend.

Waar mensen met hem op één lijn gaan zitten, gaat hij juist tegen­over hen staan, confronteert hij ze. Confronteert ze met absurde geboden.

Zit je gezellig aan de maaltijd, krijg je zulke opmerkingen naar je hoofd. Het is ook nooit goed.

 

Ik geloof niet dat Jezus dat doet om aan de mensen onmogelijke eisen te stellen, waar we toch niet aan voldoen.

Volgens mij gaat het hem om iets heel anders.

Niet om je in een keurslijf te proppen van alles over moeten hebben voor de ander. Want dan kunnen we de kerk wel sluiten.

Nee, ik geloof dat het hem gaat om de manier waarop wij in het leven staan.

Het is tamelijk relaxed om vroom te leven als je rijk bent. Je geeft wat weg aan de kerk, aan goede doelen op zijn tijd, noem maar op. En dan is het wel goed.

De wereld blijft toch branden, niet waar?

 

Ik geloof dat het Jezus om iets heel anders gaat.

Niet dat we ons best moeten doen om af en toe goed te doen.

 Ik geloof dat hij ruimte wil maken voor de Geest.

De Geest van God, de geest van liefde.

Waarom moet hij die ruimte maken, omdat wij die ruimte niet vanzelf geven.

Waarom geven wij die ruimte niet?

Niet omdat wij het niet willen, we willen best, maar omdat we het vanuit ons zelf niet zien.

 

Dat wil ik proberen duidelijk te maken.

Die pretentie van de christenheid om recht te doen aan de woorden van Jezus daar is niet altijd evenveel van terecht gekomen. In tegendeel zelfs.

Niet alleen de misstanden door de eeuwen heen. Jodenvervolgingen, ketterverbrandingen, kindermisbruik, mensen klein houden.

 

Alleen al dit gebod. Wat Jezus daar zegt van die maaltijd wie je moet uitnodigen.

Moet u eens kijken wie we zo meteen hier uitnodigen. Iedereen die in de kerk zit.

Het is niet zo indrukwekkend wat we er van maken.

 

Het viel me de afgelopen tijd  een paar keer op op t.v.

Als iemand in een gesprek een ‘moreel standpunt in neemt, dat dat moet voorafgaan aan een verontschuldiging dat ze dan even ‘de dominee spelen’ .

Bij zomergasten gebeurde dat een paar keer.

Daar zit dus iets in van dominees en de kerk – ik geef jullie ook de schuld anders heb ik het alleen gedaan- die iets pretendeert te weten hoe het moet, en een oordeel ergens over heeft. Maar daar zelf ook niet zo veel van bakt.

Dat heeft diepe sporen nagelaten, die arrogantie.

 

Hetzelfde als dat men mij wel eens zegt dat ik zo menselijk en gewoon ben

….

Nou om mij goddelijk te noemen, dat hoeft nu ook niet iedereen.

Dan denk ik meer aan herman Finkers als ik ‘s morgens wakker wordt en mijn vrouw voel dan denk ik ‘wat heerlijk’

De pastoor: uw eerste gedachte moet bij God zijn.

Sindsdien wordt Herman Finkers wakker, voelt zijn vrouw en denkt ‘God wat heerlijk’

Ik die zin wil ik wel goddelijk zijn, maar dan weet u meteen voor wie

 

Maar die opmerking van dat ik zo menselijk ben dat komt bij bij heel wrang over

want het tegenovergestelde is niet ‘goddelijk’

dat wisten jullie ook al, want wij dragen God op ons hart

wij zijn niet het tegengestelde van God

het tegenovergestelde van menselijk is onmenselijk

De pretentie van boven het leven staan, het opgeheven vingertje maar in de praktijk geen haar beter zijn

 

En zo is het ook wij zijn geen haar beter.

We willen wel, maar op de één of andere manier lukt dat niet zomaar.

Dat is geen beroerdigheid. Zo erg is het ook weer niet met ons. Het is voor een groot deel dat het er gewoon niet inzit. We doen ons best.

De woorden van Jezus gaan ons vaak te ver.

 

In die zin was Jezus radicaal. En dat zijn wij niet.

Wij willen goed zorgen voor ons gezin, ons werk goed doen, we zetten ons in voor hier in ons dorp, de kerk, en voor verder weg.

En dat is ook goed.

 

Ik zie het zo:

Wat Jezus daar geeft als hij zegt ‘NODIG DAN DE BEDELAARS, MISVORM­DEN, LAMMEN EN BLINDEN. Dat is niet een gebod, dat je moet navol­gen. Zo van ‘ja, zo zouden we het moeten doen’. Dat is christelijk.

Want daar brengen we toch niets van terecht.

 

Het is een gebod om je los te trekken uit je zelfvoldaanheid, uit je vroomheid, je christelijkheid, je gelovigheid, je ‘ik weet wel hoe het moet’

Maar, en dat is misschien nog wel veel interessanter,  ook omgekeerd, een gebod om je los te trekken uit je gevoel nooit goed genoeg te zijn, nog genoeg te doen, te weinig te doen.

Want bijna niemand brengt er wat van terecht.

Je bent niet meer en je bent niet minder dan een ander.

 

Het is een gebod om je te leren zien

dat je wie je bent en het beeld wat je van jezelf hebt,

hoe je mag geloven dat God je ziet,

niet bestaat uit hoe goed je bent.

Maar dat het een geschenk is.

Je ontvangt jezelf niet omdat je zo geweldig bent,

je bent niet iemand omdat je zo geweldig bent

je bent iemand omdat je je zelf mag zien met de ogen van God.

 

Wij worden geplaats in een ruimte waarin ons leven en wij zelf

een plaatsje krijgen, een plek

om ons niet op te sluiten in ons eigen kleine leventje

en dan kijken hoe goed of slecht we het er vanaf brengen.

Maar juist om onszelf te blijven bevragen, en ons zelf uit te dagen

op onze kracht, op onze verwondering,

onze kwetsbaarheid, leven en dood,

op onze luiheid, de vanzelfsprekendheid

en onze creativiteit en verbondenheid.

 

Kijk, daar is die kerk ook voor, voor dat zielenheil

 

Deze gemeenschap is geen vanzelfsprekendheid

ze is ook geen noodzaak, ook geen luxe

Wij vormen een gemeenschap van mensen die zeggen, wij willen meer dan het gewone

wij willen deelgenoot zijn, ons betrekken bij dat gene wat we niet kunnen vatten

wat boven ons zelf uitstijgt

wij willen ons laten aanspreken

ons laten raken

door elkaar, door de kwetsbaarheid van het leven, de verwondering

en willen ons verbinden bij waar we nooit een vinger op kunnen leggen

de Naam van God,.

de liefde van God.

 

Niet omdat we snappen hoe dat precies zit.

Maar om ons zelf te relativeren

zo goed zijn we niet

zo min zijn we ook niet.

 

Als het Jezus ergens om begonnen is dan is het wel om ruimte te maken voor de Geest.

Waar ruimte is voor de Geest, daar is ruimte voor God zelf, daar is ruimte voor de liefde. Want de liefde, dat is God.

Daar gaat het om.

 

Als we zo dadelijk het avondmaal vieren.

Dan mogen we dat doen, omdat het ons is opgedragen. Omdat we volge­lingen van Jezus Christus willen zijn.

Niet met de pretentie dat wij het heb­ben,  het heil van Christus, het gelijk, het recht of de goedheid, of wat dan ook hebben. Wij hoeven niet zeggen ZALIG WIE BROOD ETEN ZAL IN HET KONINKRIJK GODS.

 

We mogen aanschuiven, gewoon omdat we mógen aanschuiven, omdat we genodigd zijn.

Zonder voorwaarden, zonder regels. Zoals het schuim van de straat is uitgenodigd zo ook wij en niet anders.

Uiteindelijk zijn wij zelf de bedelaars, die smeken om nog een dag te mogen leven in gezondheid

de blinden die onze eigen gebreken zo veel slechter zien als die van anderen

de lammen, die en vul maar in

 

Nu, schuif dus aan, al is het maar een stukje brood, een slokje wijn.

Het is een teken, een symbool. Zo Christus, zo ook wij.

Delen wij met elkander de maaltijd in vreugde en verwondering!

We leven allen

uit Gods hand

 

Amen.