Preek 29 september 2013

Preek bij Amos 6: 1 – 11 en Lucas 16: 19 – 31
In beide lezingen gaat het uitdrukkelijk over de tegenstelling tussen rijke en arme mensen. Bij Amos op het vlak van heel het volk, bij Lucas op het persoonlijke vlak tussen de rijke man en de arme Lazarus.

 

Amos geeft een krachtige maatschappijkritiek die veel lijkt op zoiets in onze tijd, maar er zijn duidelijke verschillen. Terwijl wij bij arm en rijk bovenal denken aan geld, noemt Amos de rijken “de zorgelozen, de argelozen of de leiders van het uitverkoren volk”. Zij worden getekend als mensen die hoogmoedig zijn, er een uitbundig luxe leventje op na houden en niet door hebben dat ze bezig zijn “de heerschappij van het geweld dichterbij te brengen”. Zij “lijden er niet onder dat het volk ten onder gaat”. Het gaat dus om meer dan een financieel verschil. Het gaat ook over je omgaat met je verantwoordelijkheid, met macht en of de macht die je hebt misschien niet ontaard in geweld. Het ergste is misschien nog de onverschilligheid voor het lot van anderen. Daarom heeft de Heer zo’n afkeer van Jakobs burchten, dat de vijand alle huizen in puin zal slaan en de inwoners van Samaria zal doden.

 

Vaak hoor je mensen – binnen en buiten de kerken – hun afschuw uitspreken over die wrede, bloeddorstige God van Israël. Zij menen zelfs dat heel de bijbel een wraaklustig en oorlogszuchtig boek is. Jammer dat ze dat beeld niet kunnen loslaten, want het is volstrekt onjuist. Daarom is het ook erg jammer, dat dit in de lezing die het rooster kiest niet goed duidelijk wordt. De kern in de visie van Amos is namelijk, dat God niet een despoot is die met willekeur de scepter zwaait, maar dat wij mensen het zelf zijn die steeds weer groot onheil over ons afroepen. Wij zijn het zelf die verantwoordelijk zijn voor onze beslissingen tussen goed en kwaad. God kán die keuze niet voor ons maken. Dan zou hij ons immers tot onvrije en willoze mensen maken en zouden wij zijn slaven zijn, terwijl heel de beweging van het boek Exodus gaat van slavernij naar bevrijding. Ook Adam en Eva waren al verantwoordelijk voor hun eigen daden. En voor de gevolgen daarvan. Het gaat er in de bijbel steeds over dat de huidige generatie wordt gewezen op en gewaarschuwd voor de gevolgen van haar daden. Nu en voor de komende generaties.

Dit staat allemaal veel duidelijker in het vorige hoofdstuk 5: “Zoek het goede, niet het kwade. Dan zullen jullie leven, en dan zal de HEER, de God van de hemelse machten, met jullie zijn, zoals jullie altijd zeggen. Haat het kwade, heb het goede lief en zorg dat er recht gedaan wordt in de poort” (vers 14 en 15). Alleen wij mensen kunnen daarvoor zorgen en doen we dat niet, dan zijn de gevolgen niet te overzien. En ja, natuurlijk worden die gevolgen dan uitgebeeld als straf van Godswege: we gaan immers in tegen zijn dringende goede raad, verwoord in de wet van Mozes. We zijn wel vrij om te kiezen, maar een domme keuze kan verschrikkelijke gevolgen hebben. Daarom kiest Amos ook zulke vlammende waarschuwingen, het gaat immers zoiets verschrikkelijks als wat we nu in bijvoorbeeld Syrië en Egypte zien gebeuren.

 

De kern in heel het vlammende betoog van Amos is dat God, die heer is over alle machten, wil dat zijn volk de gerechtigheid laat stromen door zijn straten.

Het gaat dus ook niet – en dat is een ander verschil met ons huidige denken  – over een partijpolitiek programma, maar over rechtvaardige verhoudingen tussen mensen. Dat de rijken of sterken de armen (die er volgens Deut. 15 altijd zullen zijn) en de zwakkeren niet zo in de verdrukking brengen dat zij geen lucht meer krijgen. Zij zijn altijd óók je médemensen, schepselen van God. Dat is de kern van heel de wet van Mozes, je naaste lief te hebben als jezelf. En dit liefhebben betekent in bijbelse taal altijd ook dat je de ander recht doet. En dan ook in financieel opzicht natuurlijk. Want een woord is hetzelfde als een daad, in het bijbelse Hebreeuws is daar één en hetzelfde woord voor: dabar.

Overigens wordt er in de bijbel nuchter gesproken over rijkdom; niet veroordelend.  Zoals er altijd armen zullen zijn, zullen er wel ook altijd rijken zijn. Alleen krijgen de rijken een wijze raad mee: “Als het vermogen toeneemt, zet er uw hart niet op”. Dus zorg in je hart plek over te houden voor je medemens, allereerst de zwakkere, degene die niet of minder goed voor zichzelf kan zorgen. Jezus maakte dat heel persoonlijk, door te zeggen: als je dat doet, doe je iets voor mij.

 

Bij Lucas gaat het niet – ook anders dan velen denken – over een realistische schildering van een hemel als een soort tweede uitgave van de aarde, maar over een gelijkenis. Die wil ons laten zien hoe het niet tussen mensen toe dient te gaan. Het kan hier op aarde wel allemaal gewoon lijken dat er een verwaarloosde zieke bedelaar voor je deur ligt, maar Lucas wil laten zien hoe dat in Gods ogen eruit ziet. Daarom draait hij in zijn ‘spiegelverhaal’ alles maar eens om. Ineens heeft de rijke – gewoonlijk iemand van naam – in zijn gelijkenis geen naam en de arme nu wel. Die vieze man voor de poort heet nu Lazarus, dat is: God helpt. De verworpene heeft in Gods ogen een menselijk gezicht. Bij zijn dood wordt hij door de engelen weggedragen (beeldspraak), terwijl de rijke man gewoontjes wordt begraven. In “het dodenrijk” – geen hemel, maar een soort duizendjarige tijd in afwachting van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde – gaapt er net als hier beneden een diepe kloof tussen hem en Lazarus. Zelfs daar beschouwt de rijke man Lazarus als iemand van een mindere soort, die hij naar believen als loopjongen kan gebruiken. Nog heel wat minder dan een flexwerker dus. Hij vraagt aan Abraham om Lazarus naar hem toe te sturen en zijn lippen vochtig te maken. Als dat niet kan omdat er geen verkeer tussen hemel en hel mogelijk is (er is nu eenmaal een grens aan genade en vergeving), vraagt hij om Lazarus naar zijn broers te sturen om die te waarschuwen. En dan spreekt Abraham de zin die ons helemaal terugbrengt bij Amos: “Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat”. Die zin brengt ons tegelijk ook bij Christus, de rechtvaardige die werd geofferd door een wereld die hardnekkig blijft vasthouden aan onrecht, geweld en corruptie.

 

Dat zien we niet alleen in verre dictaturen, ook op menige werkvloer dichtbij ontwikkelen zich heuse schrikbewindjes. Zo siste een drankzuchtige burgemeester een ambtenaar toe: “Mond houden jij, je komt op de dodenlijst”. In vele kantoren, ook in het degelijke Nederland, nemen fraude en corruptie toe. Wij mensen hebben blijkbaar heel wat moeite met gerechtigheid en een rechtvaardige houding tegenover onze medemensen. En nog altijd zijn de gevolgen rampzalig. In het groot kan dat een (burger)oorlog zijn, zoals in de situatie bij Amos. In het klein schrijnende onverschilligheid voor iemand die je minder acht dan jezelf. In Gods ogen is hij dat in geen geval. Dat doet een sterk beroep op ieder die zich verantwoordelijk weet: “Kiest u heden wie gij dienen zult”.

Amen.