Preek 2 juni 2013

Het verhaal van de vrouw uit Lucas 7 die Jezus’ voeten zalft, stond op het rooster toen ik 12 juni 1988, bijna 25 jaar geleden, werd bevestigd als predikant. Mijn intredepreek ging erover.

Ik kwam het nu weer tegen en het leek me mooi daar even bij stil te staan. Het verhaal is n.l. met me meegegaan in die 25 jaar en is één van mijn dierbaarste Bijbelverhalen geworden.

Om twee redenen. Ten eerste omdat ik de handelingen van de vrouw die je als vrouwelijk kunt typeren, steeds meer op waarde ben gaan schatten. Vrouwen zijn anders dan mannen en dat is kostbaar. In de protestantse traditie hebben we vooral geleerd te geloven met ons hoofd, maar het kan ook anders. Zoveel diverser. Het hele lijf, met zintuigen en al, mag meedoen. Ten tweede om het tonen van de kwetsbaarheid en het verdriet van de vrouw. Dat ze zich laat gaan, zich laat vallen. Ze geeft zich over met heel haar hebben en houwen en daarin is ze een voorbeeld. Tenminste wel voor mij.

Ik kon mijn intredepreek helaas deze week niet meer vinden. Ik heb de meeste preken van voor het digitale tijdperk bewaard in ordners maar dit jaar, 1988, ontbrak.

Wel weet ik dat ik heb gezegd dat ik hoopte dat we als gemeente zo met elkaar zouden kunnen omgaan dat we kwetsbaar bij elkaar zouden kunnen binnenvallen. Zoals die vrouw in het huis van Simon, bij Jezus. Ik weet het nog omdat mijn geref. collega daar later op terugkwam. Hij zei n.l. dat de Friezen daar dat juist niet doen en niet kunnen. Dat was zijn ervaring met het dorp. Juist niet kwetsbaar zijn. Daarom heb ik het onthouden. Dat geldt niet alleen voor Friezen, maar voor ieder mens, denk ik.

Daarom is het ook zo’n prachtig en moeilijk verhaal tegelijk.

 

Wat die vrouw doet is zo bijzonder, zo grensoverschrijdend, dat het aan mij appelleert. Zou ik me zo durven laten gaan, op de knieën vallen, huilen, olie uitgieten over iemands voeten van wie ik voel dat hij mij niet veroordeelt om wie ik ben en wat ik doe.

Ik zou willen dat ik het zou kunnen, durven, op momenten dat het water mij aan de lippen staat en ik zou willen vallen, mezelf niet langer groot houden, me flinker voordoen dan ik eigenlijk ben. Me overgeven en mijn zwakheid tonen. Maar tegelijk geven. Want dat is wat die vrouw doet: veel geven.

 

Hoe is het zover gekomen, hoe is ze tot deze daad gekomen? Wat ging  eraan vooraf?

Herman van Veen heeft een lied, het gaat zo:

 

Wie heeft de zon uit jouw gezicht gehaald
Wie heeft het licht in jou gedoofd
Wie heeft je rooie wangen bleek gemaakt
Wie joeg dromen uit je hoofd
Wie brak jouw kleine hart
Kleurde je ogen zwart
Wie is niet nagekomen wat hij heeft beloofd
Wie heeft het lachen in jouw keel gesmoord
Heeft je vuisten zo gebald
Wie heeft dat onbevangen kind vermoord
Dat altijd opstaat als het valt
Wie boog jouw rechte rug
Trapte je speelgoed stuk
Wie brak jouw vleugels in de vreugde van een vlucht?

 

De vrouw staat bekend als zondares. Welke zonden wordt niet gezegd. Ook niet of het beeld klopt of niet. Men denkt dat haar zonden iets met mannen te maken hebben.

Laten we er vanuit gaan dat het klopt. Dat zij zo’n vrouw was.

Daar gaat ze, naar binnen, niet uitgenodigd. Het is een mannenaangelegenheid, nogal gewaagd om je bij die godgeleerden te vertonen. Met losse haren nota bene, iets waarmee ze geld verdiende door er mannen mee te verleiden. In oude rabbijnse geschriften staat dat losse haren een aanleiding voor echtscheiding konden vormen.

 

Ze moet iets van Jezus geweten hebben, of waarschijnlijker: ze heeft hem gezien, in de ogen gekeken en ze heeft een schoot van ontferming in zijn ogen gezien. Een man die anders was dan al die andere mannen die ze tegen het lijf was gelopen. Het was een ontmoeting die haar verlangen heeft gewekt. Verlangen naar een compleet leven, een leven zonder zonde, zonder dat je als mens aan je levensdoel voorbijgaat. Een leven van jezelf kostbaar vinden en hooghouden, niet van jezelf uitleveren en laten vernederen. Een leven waarin je recht doet aan wie je ten diepste bent, aan je bestemming. Ze moet er weer even aan geroken hebben toen ze Jezus meemaakte. En toen hij daar was, kon ze het niet langer tegenhouden, het verlangen, het tomeloze verdriet. Er was geen rem meer, geen barrière, geen angst of schaamte. Ze wilde vallen, letterlijk en figuurlijk, om weer op te kunnen staan.

 

Daar komt ze binnen met om haar hals een albasten flesje met geurige mirre olie. Heel kostbaar. Rijke vrouwen waren gewend om een flesje om hun hals te dragen met daarin geurige olie. Het was een teken van schoonheid. Een geur van aantrekkingskracht. Speciaal voor déze vrouw was het ook een van de beste verleidingsmiddelen, essentieel voor haar werk. Maar nu gebruikt ze de geur niet voor haar eigen lichaam, maar voor dat van Jezus.

Als je je verplaatst naar de geur van toen: er was geen zeep en shampoo, geen airco, wel veel zweet. Dieren op straat, geen riolering. Geur had toen nog een heel andere betekenis.

De mirre verwijst hier ook naar Hooglied, naar de liefde, naar de romantiek, de erotiek, naar het wanhopig zoeken naar de geliefde. Geur roept veel op, vandaar dat ik hier mirre brand. Het heeft in de kerk met het hogere te maken, het heilige. Misschien is de vrouw van plan geweest een klein drupje (want dat was al kostbaar) voor Jezus te bewaren, maar als ze eenmaal door de knieën is gegaan, is er geen houden meer aan. Alles moet eruit. Letterlijk en figuurlijk.

Maar eerst zijn er de tranen. Ze kan het niet meer stoppen, de rouw om haar verloren leven, om alles wat niet mooi was, niet goed, wat haar vleugellam heeft gemaakt. In aanwezigheid van Jezus, is er de veiligheid en ruimte om het te laten komen en het komt. Godzijdank. Want het ruimt op, huilen geeft lucht. En dan worden Jezus’ voeten nat en ze droogt ze af met haar lange haren. Ze kust ze en wrijft ze in met olie. Het is van een haast onthutsende, schokkende intimiteit. Het is de manier waarop ze met mannen gewend is om te gaan, maar hier is het zo anders, zo puur, zo echt, niet gespeeld, geen verleidingskunst. Zo zonder gene jezelf geven, dat is liefde. Je in al je kwetsbaarheid laten zien, dat is geven.

 

De gedachten van Simon zijn door Jezus te lezen. En hij vertelt die gelijkenis van de geldschieter die zijn schuldenaars hun schuld kwijtscheldt. Degen die het meest verschuldigd was, zal het meeste dankbaar zijn, weet Simon goed te antwoorden. Zie je deze vrouw Simon? Nee niet alleen oordelen, of vol schaamte wegkijken maar echt kijken.

Wat de vrouw doet zijn de tekenen van gastvrijheid geven die jij Simon mij niet hebt betoond. Het wassen van de voeten in het hete stoffige Israël, het elkaar begroeten met een kus, het zalven.

Zij heeft het gedaan. De niet welkome gast is eigenlijk de gastvrouw. Zij heeft het verstaan. Als je veel liefde betoont, worden je zonden vergeven, zegt Jezus.

Er s een verband tussen die twee.

 

De vrouw heeft zich laten vallen, is aan haar oude leven gestorven, zou je kunnen zeggen en weer tot aanschijn geroepen. Er is een nieuw begin gekomen. Ze kan in vrede gaan want haar geloof heeft haar gered. Haar vertrouwen in Jezus bracht haar bij het sprankje geloof in zichzelf wat ze nog had en deed haar komen tot deze daad. Het moest, er was geen weg terug. En zo vindt ze zichzelf terug. Als je wilt opstaan, moet je eerst durven vallen, door je eigen bodem heen zakken.

 

Is het typisch vrouwelijk wat deze vrouw doet? Deze emotioneel geuite liefde voor Jezus? Mannen zijn rationeel, vrouwen emotioneel en zo.. Het speelt hier wel mee, dat zij zintuiglijk, intuïtief handelt. Maar je mag het niet afdoen met: dat is nou typisch een (hysterische) vrouw. Maar dat was al duidelijk geworden.

Vrouwen zoeken meer aanraking en verbinding, nabijheid en overgave, mannen zijn meer van de afstand en de analyse. Algemeen gesproken.

Maar waar het hier werkelijk om gaat is dat de vrouw weet ze dat ze het zelf niet redt, en dat ze hulp nodig heeft. Ze heeft zo hard hulp nodig dat ze aan niemand anders dan Jezus meer kan denken als Hij in de buurt komt. Ze móet wel naar Hem toe. Wie in duisternis ronddoolt, ziet waar het licht is. Wie uitgesloten is, kan scherp voelen waar wel liefde is. Wie zondaar is, kan pas echt zien wie Jezus is.