Preek 19 mei 2013

Mensen kunnen opgesloten zitten in zichzelf, gevangen in angst, verlamd door onmacht.

Maar het kan ook anders: het kan stromen in een mens, het geluk kan van je afspatten, je hebt energie, je voelt je vrij en kunt veel aan. Beide kanten zitten in ons.

Ik zag afgelopen week toevallig een stukje van programma op tv: Een nieuw begin of zoiets heette het. Een man had zijn vrouw ervoor opgegeven. Zijn vrouw was een teruggetrokken vrouw geworden. Door een schildklieraandoening zei iedereen tegen haar dat ze er zo oud en moe uitzag en ze leed eraan dat ze geen borsten meer had, nadat ze vier kinderen had gezoogd. Ze had zich opgesloten in zichzelf, kon niet meer genieten. Er was een nieuw begin nodig en toen ze hoorde dat ze mee mocht doen aan een nieuw begin, was het nieuwe begin er al. Ze snakte ernaar. Maar ze kon blijkbaar zelf niet uit die vicieuze cirkel komen, iemand moest iets aanreiken.

In het Bijbelverhaal van vandaag zitten mensen opgesloten, letterlijk en figuurlijk. Met de gordijnen dicht en de deur op slot. Angst is het die hen ertoe drijft. Het is hier nog niet eens Pasen geworden.

 

Johannes heeft een ander Pinksterverhaal dan dat we kennen uit Handelingen 2. Bij Lucas zitten er vijftig dagen tussen Pasen en Pinksteren, bij Johannes vallen ze op één dag. Vreemd misschien, maar eigenlijk klopt het ook wel. Ze horen n.l. bij elkaar Pasen en Pinksteren. Als het Pasen wordt in een mens, moet het wel Pinksteren worden. Als een mens is bevrijd van de angst en is opgestaan, gaat ie naar buiten en de geest van het nieuwe begin gaat stromen. Er komt weer beweging. En waar het hart vol van is, stroomt de mond van over. Van het wonder dat een mens opnieuw mag beginnen.

 

In het gedeelte hieraan voorafgaand heeft Maria getuigenis afgelegd van haar ontmoeting met Jezus in de tuin. Maria zijn daar de ogen opengegaan, ze heeft de Heer gezien. En ze vertelde het aan de andere leerlingen. Maar het lijkt nog niet echt indruk gemaakt te hebben. De discipelen hebben zich dus verschanst achter gesloten deuren, bang voor de Joden. Er is  zoveel afschuwelijks gebeurd in Jeruzalem, zij hebben nog geen Paaservaring gehad. Ze sidderen nog na van alle geweld en haat die ze hebben gezien en gevoeld. En ze waren bang dat ze als handlangers van Jezus ook gepakt zouden worden.  En misschien waren ze ook wel opgesloten in hun eigen schuldgevoelens. Zo fraai was hun rol niet in het hele gebeuren van Jezus’ opgepakt worden en alles wat er daarna gebeurde. Ze sliepen, verraadden hem, waren op één na niet bij het kruis.

 

En dan: door die afgesloten deuren en muren van hun hart breekt Jezus binnen. Ze zijn zelf niet in staat de deur te openen, om uit die vicieuze cirkel te komen, maar dat hoeft blijkbaar niet. Het komt van de andere kant.

Jezus zegt: “Vrede zij u”. Tweemaal na elkaar zegt hij dat. Een overbekende groet, shalom aleichem, ze hoorden hem dagelijks, maar in deze situatie moet die groet plots weer veelzeggend en vol betekenis geklonken hebben. Als woorden van genade van de overkant, woorden van verzoening en vergeving.

Vrede voor wie zichzelf in angst en verdriet hebben opgesloten. Er klinkt hier geen verwijt van de kant van Jezus, maar enkel een woord van vrede. Vrede die van angst en gevangenschap bevrijdt.

Je zou verwachten misschien dat de leerlingen vervuld werden van schaamte: nu komt hij ons ter verantwoording roepen voor ons laffe optreden. Maar Jezus presenteert de rekening niet. Integendeel. Hij vergeeft, hij rekent hen hun angst niet aan, maar schenkt er vrede voor in de plaats. Vrede van binnen, in hun hart, zodat de liefde en goedheid die er was, weer opnieuw kan gaan stromen. Zodat ze weer naar buiten durven. Het is geweldig als een mens bevrijd wordt van de angst die hem gevangen kan houden, als die angst als een steen in je maag, op je hart, wordt weggerold en er ontspanning en vrede voor terugkomt. Dat is een wonder.

Dat het geen kunstje is, dat het niet goedkoop is, toont Jezus door zijn wonden in handen en zijde te laten zien.

Jezus is aan het aardse bestaan verwond geraakt ten dode. Het is niet zo dat er niks is gebeurd, dat ze de oude Jezus van voor Golgotha terugkrijgen. Maar het lijkt dat hij ook wil aangeven dat de wonden een mens aangebracht, hoe gruwelijk ook, niet het laatste zijn. Maar de wonden hebben wel een plek bij God. Ze hoeven niet te worden ontkend. De blijvende littekens op zijn lichaam zijn een teken dat het kennelijk mogelijk is dat je pijn, moeite, verdriet kunt overwinnen, zonder dat je hoeft te doen alsof er niets gebeurd is. Het lijden wordt door God gezien. En Hij transformeert het tot iets nieuws. Je hoeft je als mens ook niet te schamen voor je eigen angst en onmacht, het gevangen kunnen zijn in jezelf, als je jezelf opsluit achter gesloten deuren.

 

En tenslotte geeft Jezus een zendingsopdracht: “Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend ik u.” Een grote genade is het en een grote verantwoordelijkheid. Het wordt hier Pinksteren.

En het wordt met een soort ritueel bevestigd. Heel lichamelijk. Jezus blaast over hen heen.

Een soort reanimatie is het. Zoals God in het begin zijn levensadem inblies in Adam, de eerste mens, zo is God hier weer een nieuwe mensheid aan het scheppen. Hij blaast het oude weg, de angst, de pijn. Maar niet agressief, maar zacht. Zoals een tekst van Huub Oosterhuis zo mooi zegt: die de sluier van mijn angst niet scheurde maar optilde, zodat ik durfde. Zacht en behoedzaam moet het gebeuren, blazen net zolang tot de koude is verdwenen en het lichaam en de ziel weer warm worden en blij. En je net als God in den beginne toen hij de mens schiep kunt zeggen: en zie het is zeer goed. Het is zeer goed dat ik er ben en dat ik ben zoals ik ben. En op mijn eigen wijze mag ik de wereld ingaan en mijzelf meedelen.

 

Zonden vergeven, zegt Jezus. Vergeef iemands zonden. Niet in het algemeen, vergeef de zonden van de mensen, want dat zegt niks.

Ik heb een hekel gekregen aan het begrip zonde omdat ik altijd hoorde hoe zondig ik was maar hoezo? Welke zonden? Welke zonden houden mij gevangen, daar gaat het om. Het moet concreet worden.

De leerlingen hebben veel meegemaakt, hen is veel aangedaan. De beweging rond Jezus is kapotgemaakt, althans dat hebben mensen geprobeerd. Ze moeten toch weer naar buiten en zullen die mensen onder ogen komen. Vergeef die zonden, zegt Jezus. Laat het vrij worden en blijven van binnen in je hart. Laat je niet opnieuw gevangen zetten door wrok en wroeging en haat. Jullie weten wat het is om gevangen te zijn in angst. Hoe afschuwelijk dat is, bevrijd anderen van die macht. Blaas over hen zolang totdat ze weer warm worden en zacht en van zichzelf kunnen houden, want God houdt van hen.

Door vergeving wordt een mens bevrijd en herschapen. Dat is de goede boodschap, die de wereld in moet. Mensen mogen worden bevrijd en genezen van alles wat hen gebonden houdt.

Dan krijgen ze vleugels en kunnen ze leven. Dat is het wonder van Pasen Pinksteren ineen. Het visioen dat ons gaande wil houden op de reis van ons leven.

Van steen waren wij
niet te tillen
bevangen door de kou …
Vuur raakte ons aan
wij stonden op
warmte werd ons deel.

Onze mond was vergrendeld
onverstaanbaar
gevangen in angst …
Wind brak ons open
wij leerden spreken
woorden van verlangen.
Van ijzer waren wij
onbuigzaam
niet te bereiken …
Liefde, in haar smeltoven
werden wij herboren
tot elkaars nabijheid.