Preek 28 maart 2013

Gemeente van Jezus Christus

Op de voorpagina van de liturgie ziet u een afbeelding van de gekruisigde. Het is een afbeelding die anders is dan anderen.

De gekruisigde lijkt hier van het kruis af te stappen.

Zich voorover te buigen en de arm uit te strekken. Naar wie, we zien het niet.

We zien het kruis, het is niet van hout, want het buigt mee. Moet a.h.w. meebuigen met de buigende gestalte.

Het geeft mee, maar houdt toch één hand nog vast. De andere hand is losge­rukt. Er zit prikkeldraad omheen. Ze is losgebroken.

Het ene been staat op de grond, het andere lijkt zich af te zetten van het kruis.

Het hele li­chaam is voorover gebogen. De rug van het uitgeteerde lichaam is rond gebogen. Het gezicht kijkt naar voren.

En dan die arm. Die eindeloos lange arm. Als je goed kijkt, dan zie je dat die arm twee maal zo lang is als normaal. In het midden zie je die onder­breking. Het zijn als het ware twee armen die aan elkaar naar voren reiken.

2 armen die verder dan mogelijk is naar voren willen reiken. Een hand die grijpt. Maar naar wie grijpt die hand. En waarom grijpt die hand.

Roept hij om hulp? ‘Help me hier vanaf’?

Of zegt hij ‘kom maar’, ‘ik zal je helpen’.

 

Het is een beeld dat losgeslagen is van het bijbelse verhaal, van de wer­kelijkheid van de kruisdood. Want in werkelijkheid is het kruis niets anders dan een martel­werktuig. Een martelwerktuig met maar één functie: degene die gekruisigd wordt onnoeme­lijk te laten leiden: het trekt je lichaam uitelkaar totdat je je borst niet meer kunt bewegen en stikt. Maar dat duurt uren. Dat is de kruisdood.

 

Daar aan het kruis roept Jezus uit ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten’. Er zijn mensen die denken dat Jezus daar inderdaad van God verlaten was. Dat daar een breuk was, tussen hem en tussen God.

Ik geloof dat niet. De vraag van Jezus was niet hoe betrouwbaar God is. God was hem oneindig nabij.

En de woorden die hij hier spreekt zijn niet alleen zijn eigen woorden, het zijn de woorden van een psalm, psalm 22, die Jezus daar roept. Wie zo roept, roept in de nabijheid van God.

Hetzelfde.

Vlak daarvoor, enkele uren, bidt Jezus in Gethsemané. Bang, doodsbang voor wat komen gaat. De mens die zo vol vertrouwen was, die niets anders leerde dan dat wij zouden leven vanuit vertrouwen. Hij is hier doodsbang. Zo bang dat zijn angstzweet bloed is.

Er zijn mensen die denken dat Jezus daar bang was om van God verlaten te worden. Dat het hele programma, zijn hele geloof in het koninkrijk Gods daar teniet gaat. Alsof God niet meer met hem zou zijn.

Ook dat geloof ik niet.

Je kunt geloven, terwijl je aan alles twijfelt, doodsbang bent. En toch bidden.

 

Het hele levensverhaal, en het hele lijdensverhaal van Jezus is één getui­genis van hoe Jezus God zo nabij was, zo in zijn hart had opge­nomen, zo volledig één was met de Vader, dat wij zeggen: Hij is Gods Zoon. Hij was kind aan huis bij Hem.

Dat gaat niet zomaar voorbij, daar heerst niet de angst. Daar zit andere grond onder. De vraag voor Jezus was niet of hij God kon vertrouwen.

Als je zo leeft, zo vrij van de mensen, vrij van de moraal, zo volledig beschik­baar voor de ander, zo kunt liefhebben, dan heb je grond onder de voeten die niet van deze alledaagse wereld is.

 

Dat is een liefdesverhouding met God, een leven vanuit de bron, leven van de wind, van de Geest. Dat kan niet stuk. Ook al loopt je leven stuk.

Dan raakt de dood en de pijn je wel, kwetst je wel, kan je oneindig kwet­sen, martelen. Maar als God daar zijn rug naar toe zou keren, daar los zou laten, dat kan niet. Dan zou hij ons allen loslaten in het aangezicht van de dood.

De breuk, zit niet tussen Jezus en God.

 

Het is eerder onze angst dat wíj hier een breuk zien, dat wij bang zijn van God los te raken, willen reiken naar God. Als de ellende, of het verdriet om iemand die je achter moet laten, als die pijn je in de greep heeft.

Wij zijn bang dat God ons dan loslaat.

 

Waar was Jezus dan bang voor?

Jezus was bang voor wat er ging gebeuren. Heel eenvoudig, en niet voor niets.

Om wat mensen kunnen doen.

Zo’n kruisiging. Welke zieke geest verzint zoiets?

Welke mens is in staat om de ander zo iets aan te doen?

Blijkbaar alle mensen. Als je de schreeuwende menigte ziet, die roept: “kruisigt hem!”. De heren overheden die hun handen in onschuld wassen.

Daar was hij bang voor.

Het is huiveringwekkend als je ziet hoe onmachtig het Goede is op deze wereld. Hoe alle daden en alle mensen kapot gemaakt kunnen worden.

Daar wordt je bang van. Daar is Jezus bang voor.

De vraag voor Jezus was niet of hij op God kon vertrouwen, de vraag was of hij op de mensen kon vertrouwen.

Wetende hoe kwetsbaar dat alles is. Dat alles wat je aan goedheid opbouwt in één beweging van tafel kan worden geveegd.

Hij hoefde maar om zich heen te kijken naar die kleine kring van mensen daar bij dat avondmaal om te weten hoe kwetsbaar het was. Dat koninkrijk.

Petrus, die hij de rots noemde, maar die bij deze beving zo onthutsend in elkaar stort.

Judas, die het geld van de kleine wandelende gemeenschap was toevertrouwd. Die, God mag weten waarom, naar de farizeeën gaat. Waarom in vredesnaam. Johannes, de apostel die Jezus lief had, die hem volgt tot onder aan het kruis. Maar niets kan doen. Teken van de onmacht van de liefde in deze wereld. Dat zijn de mensen. Precies zoals ons. Herkenbaar voor ons. Hoe kan je geloven, hoe kan Jezus vertrouwen op deze mensen. Op het moment dat alles wat hij begonnen is doodloopt.

Hoe kan je er dan op vertrouwen dat wat je samen hebt gedeeld. Hoe je het visioen van het koninkrijk hebt geleefd, samen hebt geleefd. Hoe kan je er op vertrouwen dat dat niet hier verpletterd wordt door de doodsmachines die hem aan het kruis doen nagelen.

Overgeleverd aan de hogepriester, aan de Romeinse bezetter, aan het schreeuwende volk, kan hij niet anders als zichzelf in de handen van zijn discipelen leggen. Zijn lot, het lot van het Koninkrijk op aarde, zal van hun woorden en hun daden afhangen.

Dat gebeurt daar bij het avondmaal. Waar hij in ene beweging voorzegt dat zij hem zullen verraden, verloochenen en tegelijk zichzelf deelt met hen. Met lijf en ziel.

Waar hij hen de opdracht geeft om dat door te zetten. Opdat zij zullen zien dat hoe dan ook, of zij nu verraders zijn, loochenaars of onmachtigen, dat zij het zijn om wie het gaat. Dat waar ze het avondmaal vieren elke keer weer iets zullen proeven van het ware leven, van het leven zoals Christus dat heeft geleefd, dat steeds weer toekomst is, belofte. Elke keer weer ontdekken waarvan ze werkelijk leven.

 

Hij vertrouwde zozeer op de Barmhartige, op de Aanwezige, dat hij geloven kon in de mensen. Ondanks de kwetsbaarheid, ondanks het huiveringwekkend kwaad waartoe de mens in staat is, ondanks de machteloosheid van de liefde. Omwille van Hem, moeten wij geloven. Dat we in staat zijn door onze onmacht heen door onze dood heen, iets van de goedheid van God te leven, de genade waardig zijn, in staat zijn om lief te hebben.

Om elke keer als we hier eten, drinken, te weten dat wij verbondspartners zijn met elkaar in de nabijheid van God.

Zij is ons toegezegd, ons toevertrouwd, zij begeleidt ons waarheen we ook gaan.

Sinds die eerste maaltijd is het mogelijk om te geloven in de mensen, te vertrouwen op de mensen, in je zelf, in de ander, om geen andere reden dan omdat God het zelf zo doet.

 

Die uitgestrekte arm van de gekruisigde, die daar reikt.

Het maakt niet uit of je nu zegt die arm die roept om hulp of zegt ‘kom maar ik zal je helpen’. Want dat is hetzelfde. Dat is dezelfde beweging als Jezus bij het avondmaal. Die wetende van de zwakheid, van de kleinheid van zijn vrienden. Alles aan hen toevertrouwt. In één beweging zegt ‘help mij, ik zal je helpen’.

Dat dat iets teweeg brengt. Waar je niet los meer van komt.

Vertrouwen zonder weerga, mens van God te zijn.

Door de dood heen.

Amen.