Preek 21 april 2013

Vandaag lazen we een stukje uit het beeldrijke boek Openbaringen. De Apocalyps. Vanuit de verdrukking, vanuit zwartgallige wanhoop, doemen er in dit boek beelden van troost op: het zal anders worden, niet alleen anders, zelfs volmaakt goed. God zal reddend ingrijpen op aarde. De sluier wordt weggenomen en de geheimen worden onthuld, dat betekent apocalyps.

 

Johannes ervoer de verdrukking aan den lijve. Hij zat vanwege zijn geloof gevangen op het eiland Patmos. Het was in de bloeitijd van het machtige Romeinse rijk. Hoe kon het dat na het verhaal van Jezus die het koninkrijk Gods predikte en present stelde, die stierf maar werd opgewekt, alles op de oude voet lijkt te zijn doorgegaan? Is er iets terechtgekomen van de beloofde vernieuwing van het leven? De eerste christengemeentes worden vervolgd en veel mensen passen zich ook aan aan het bestaande machtssysteem om hun vege lijf te redden.

Maar juist in die uitzichtloze situatie raakt Johannes in een soort geestvervoering. Beelden van de strijd tussen goed en kwaad tuimelen in zijn gezichten over elkaar heen. Je hebt verbeeldingskracht nodig om erin mee te kunnen gaan en te zien dat deze visioenen een nieuwe kijk op de situatie geven, dat ze draagkracht vormen voor nieuwe hoop en nieuw gedrag.

 

In de eerste drie hoofdstukken schrijft Johannes brieven aan de zeven gemeentes in Azië. Ons verhaal begint eigenlijk in hfdst 4 waar Johannes de deur van de hemel open ziet. Een en al glorie en luister ziet hij en degene die op de troon zit in al zijn luister wordt aanbeden en verheerlijkt door de 24 oudsten die ook op tronen zitten. Degene op de troon heeft een boekrol in de hand met zeven zegels, maar er lijkt niemand te zijn om de boekrol te openen en de zegels te verbreken. Tot het lam wordt aangewezen, dat eruit zag alsof het geslacht was en zeven horens en zeven ogen had. Hij verdient het om de boekrol te ontvangen en zijn zegels te verbreken, staat er, want u bent geslacht en met uw bloed hebt u voor God mensen gekocht.

En zo gebeurt het. In hfdst 6 worden de eerst  6 zegels verbroken. De vraag luidt hier: wie kan bestaan in deze kwade wereld? De inhoud is beangstigend van wat zich onder de zegels bevindt. Allerlei onheil breekt los, een circus van paarden die oorlog ontketenen. Een aardbeving volgt.

Maar dan is er een pauze. Want het zegel van God moet eerst op het voorhoofd van zijn dienaren aangebracht worden. Als bescherming tegen het kwaad. 144.000 uit alle 12 stammen van Israël 12.000. Een volmaakt getal van onaanraakbaren. Feitelijk bestonden de stammen allang niet meer, Jeruzalem is verwoest, maar Johannes droomt van de oude glorie die hersteld zal worden. Je moet zulke getallen niet letterlijk nemen, zoals mijn buurman in Lunteren deed, omdat hij het zo had gehoord, en geloofde dat er 144.000 mensen gered werden, de rest verdoemd.

En dan die onafzienbare menigte, die niet te tellen is, uit alle landen en volken, van elke stam en taal. In het wit gekleed en met palmtakken in hun hand stonden ze voor de troon en voor het lam. En ze roepen luid dat de redding komt van onze God op de troon en van het lam.

Dat is bijzonder, deze mensen zijn niet alleen veilig, ze zijn uitbundig. De meest angstaanjagende manifestaties van het kwaad in hfdst 6 worden naast de meest uitbundige lofprijzingen geplaatst in hfdst 7. Gelovigen zingen, in de woestijn, in de nacht, in het donker, in de storm. Het kwaad is een feit, het wordt niet ontkend of  minder erg gemaakt. Maar daarnaast is er iets anders. En daar wil Johannes zijn geloofsgenoten deelgenoot van maken.

Kunnen we bestaan in deze kwade wereld? Ja, toch..

 

Ik las ergens als toelichting bij dit hoofdstuk dat een predikant dit gedeelte had besproken met een groep mensen. Een van hen begreep plotseling wat dit gedeelte haar te zeggen had. Ze had een hele slechte tijd gehad, ze zag nergens nog iets moois of goeds in haar leven. Met een therapeut werden alle kwade dingen uit haar leven een voor een ontrafeld, onderzocht, aan het licht gebracht. En niets werd er minder erg van. Maar er gebeurde wel iets anders. Omdat ze het kwaad durfde benoemen en onder ogen zien, kreeg ze weer oog voor andere dingen in haar leven. Haar fijne vrienden, haar lichaam dat het zo goed deed, haar gevoelens die haar het juiste zeiden, de schoonheid van de natuur. Niets van het kwaad werd uitgewist maar het bestond nu in een bepaald perspectief. Niets was veranderd en alles was veranderd.

 

Na het beeld komt de vraag en uitleg: wie zijn dit in het wit en waar komen ze vandaan?

Het zijn de mensen die uit de grote verdrukking komen, U weet het zelf Heer. Ze hebben hun kleren wit gewassen met het bloed van het lam. Ze zullen geen honger en dorst meer lijden, de zon zal hen niet meer steken, de hitte hen niet bevangen. Want het lam midden voor de troon zal hen hoeden en hen naar de waterbronnen van het leven brengen. En God zal alle tranen van hun ogen afwissen.

Kleren die wit gewassen worden door bloed. De mensen hebben niet de witte kleren uitgereikt gekregen nadat hun strijd gestreden was, ze hebben ze zelf wit gemaakt door ze te dompelen in het bloed van het lam. Een bijzonder beeld. De kleren worden niet rood van het bloed, de kleur van het geweld hier, van het slachten. Nee, het lam staat voor die andere weg, van vergeving, van weerloze liefde blijven oefenen ook in de verdrukking. De tranen zijn daar overigens niet weg, ze vloeien, maar zullen worden afgewist.

Misschien kun je wel zeggen dat de fontein van hun tranen hun verbinding met de levensbron is geweest. Pas als ze bij de levensbronnen zijn, worden hun tranen overbodig.

 

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik vind het ontroerend. Die mensen in het wit, met palmtakken in hun hand, eindelijk gelukkig, eindelijk bevrijd van hun gekweldheden en pijn. Hun verlangen is vervuld.

Nooit meer dorst, nooit meer honger, naar de waterbronnen van het leven gevoerd waar hun tranen worden afgewist.

Openbaringen is een troostboek opdat ook wij in de verdrukking van ons leven, onze hoop op een nieuwe toekomst kunnen blijven koesteren.  Om het kwaad af te wijzen en het goede te doen totdat alles werkelijk nieuw wordt.

 

In Putten staat een beeld, een vrouw in klederdracht, het hoofd gebogen,

de armen hangen langs het lichaam, in één hand een zakdoek geklemd.

Het vrouwtje van Putten.

Ze kijkt uit over zeshonderd door buxus afgeperkte vakjes

in de richting van de kerk.

En op de sokkel de tekst: “En God zal alle tranen van hun ogen afwissen.”

Bijna 600 jongens en mannen werden in oktober 1944 door de Duitsers weggevoerd.

Slechts een handjevol keerde terug. De meesten bleken binnen een half jaar bezweken in de kampen.

De vrouw met de zakdoek, gebeeldhouwd door de kunstenaar Andriessen, staat voor het leed dat deze onmenselijke bezettingsmacht veroorzaakte.

Het vrouwtje van Putten stáat, getroffen als ze is door onmetelijk verdriet.

Maar dat vrouwtje van Putten is veel meer dan alleen een symbool van eenzaamheid en verdriet. Ze staat rechtop.

Haar hoofd is weliswaar gebogen door een zware last,

maar ze kijkt vooruit  en haar rug is recht.

Geslagen, maar niet geveld; gebroken, en toch weer opgestaan

Symbool van de mens die leeft vanuit geloof,

verlangend naar een leven dat vol leven en liefde is.

In dat standbeeld van het vrouwtje van Putten nog meer:

Iets van deze God, met haar zakdoek paraat

om alle tranen van onze ogen af te wissen.