Preek 3 maart 2013

Hoe diep moet een mens zinken voordat ie tot inkeer komt? Hoe diep kan een mens vallen?

We hebben er heel wat langs zien komen de afgelopen tijd.  Lance Armstrong, Michael Rasmussen, Dick Staal, van woning coöperatie Vestia, Sjoerd van Keulen van de SNS bank Voorbeeldfiguren die van hun sokkel vallen.

En vandaag is het David. Wel de laatste van wie wij het hadden verwacht. Die Messiaanse koning die ons het tegenverhaal kwam vertellen. Het alternatief voor Saul. Nota bene deze beloftevolle koning valt van zijn sokkel. Een zwarte bladzijde in deze profetische geschiedenis. Wat wil de verteller met dit verhaal? Waarom moeten wij dit horen? Wat is hier nu de geboden troost?

Misschien is het wel een verhaal waarin wijzelf voorkomen. Precies zoals dat verhaal dat de profeet Nathan David voorhoudt over dat ene geliefkoosde lammetje van die arme dat wordt geroofd  door die rijke.

 

Hoe hoog kun je als mens opklimmen? Die herdersjongen die te vinden was in het dal tegenover die grote reus. Diezelfde David zien wij nu rondwandelen op zijn dakterras. David, hij was een eenvoudig herdertje dat bij zijn schapen werd weggeroepen, werd gered uit de macht van Saul, gezalfd tot koning, maar als koning op het dak van zijn paleis de macht van zijn positie voelt. Alles is binnen handbereik, hij hoeft alleen maar te nemen. In dit verhaal valt het werkwoord ‘nemen’ regelmatig. Leef je van het nemen, of van het ontvangen? Zie je het leven en de mensen om je heen als een bezit of als een geschenk?

Nemen, dat doet David. Hij neemt de badende buurvrouw, met het mooie lijf, hij vergrijpt zich aan haar. En als zij zwanger is, deinst hij er uiteindelijk niet voor terug haar man Uria door bedrog te laten omkomen in de strijd. Nadat zijn eerdere plan niet is gelukt, te doen voorkomen alsof Uria de vader is van het kind.

David raakt steeds verder verstrikt in dit verhaal.  Politiek gehuichel, gekonkel. Wegkijken als jij er niet beter van kan worden. Het moet wel fout aflopen.

Het komt een keer uit, het bedrog. Hoe diep moet je als mens soms gaan?

 

David wordt geholpen door Nathan de profeet, die bij hem komt. Het staat in het gedeelte hiervoor beschreven. Want David is een koning die namens God zijn volk dient te regeren. Nathan houdt David een spiegel voor. Met het verhaal van de rijke man met veel schapen en runderen en de arme man met het ene ooilam dat bij hem opgroeit en is als een kind voor hem. De rijke man krijgt bezoek en wil niet een van zijn eigen dieren slachten maar neemt het ooilam. Als David dit verhaal hoort, wordt hij woedend op die rijke man. Jij bent die man, zegt Nathan. En dan krijgt David het hele verhaal te horen, over zijn roeping en hoe hij die heeft verkwanseld. Van een veelbelovende vredesvorst is David tot een kind des doods geworden.

David had trouwens ook Nathan kunnen laten doden, als hij het niet had willen horen. Maar de koning buigt. David erkent zijn zonde.

Jij zult niet sterven, maar wel je zoon, zegt Nathan.

De pasgeboren zoon van David en Bathseba wordt ziek.

En toen zocht David God, staat er. Nood leert bidden, zeggen we. Zo zien we David eenzaam teruggetrokken op zijn kamer. Hij komt zijn bed niet meer uit. De gordijnen blijven dicht. Dat kind, die toekomst van hem is ten dode, zoveel is duidelijk. Hij kan geen kant meer op. Het politiebusje staat bij wijze van spreken voor de deur om hem in de boeien te slaan. Zoals die keurige heren met mooie maatpakken achterin een politiewagen belandden. Maar wij zijn het ook zelf misschien. Op die vastgelopen momenten in ons eigen leven. Je wilt jezelf onzichtbaar maken. Ik ben er niet. Aan alle kanten zijn de hekken vergrendeld. Hoe moet het verder..?

Oosterhuis dicht het zo treffend met Psalm 51. Het lied bij deze tekst.

Het is niet af te wassen, het is

onder mijn huid gaan zitten

in mijn hersenpan gekropen,

opereer me!

 

Na zeven dagen sterft het kind.  Het leven loopt dood. Het lijkt wel Goede Vrijdag. De dienaren durven het niet te zeggen, maar David weet het door hun gefluister. Is mijn kind dood? Ja, het is gestorven. Tot zeven keer toe klinkt hier dat het kind is gestorven.

De weg van de herdersjongen, hoger, steeds hoger, loopt stuk op de dood van het kostbare kleine leven. Het kind dat onschuldig is en toch sterft. Zoals Uria, en het ooilam, zoals Jezus Messias, zoals tallozen die net zo onschuldig stierven, slachtoffer geworden van de waanzin van anderen.

Met de dood van het kind, komt er een keerpunt in Davids leven. Het einde van dit kind is het moment waarop nota bene David opstaat. Tot verbijstering van de omstanders staat hij op. Het lijkt wel Pasen. Iedereen verwacht het tegenovergestelde maar David staat op. Ondanks die gitzwarte geschiedenis,  ondanks die niet te vereffenen schuld. Ondanks dat alles wordt hier een nieuw begin gemaakt.  Aanvankelijk sluit David zich op in zijn verdriet, zijn dienaren werden er bang van. Nu komt hij weer aan het licht. Als de verloren geschiedenis, de doodlopende weg tot een einde is gekomen, is er ruimte voor iets nieuws. Dat is Pasen. Er opent zich een nieuwe toekomst. En het brood komt op tafel. Die misstap, die totale vergissing: het heeft niet het laatste woord. Er wordt ons vanaf de andere kant een nieuw begin geschonken. Ja van Gods wege. En daarom laten wij het brood van de Uittocht en de beker van de Dankzegging zo dadelijk rondgaan. Als teken daarvan!

 

David gaat naar Bathseba, niet langer de vrouw van Uria genoemd, hij troost haar en vrijt met haar. Er wordt een nieuw kind geboren, lieveling van God.

Van donker wordt het licht, je kunt er nog zo’n potje van hebben gemaakt, God schrijft de mens niet af. David is bereid een nieuw begin te maken, zoals God dat ook is . Het wordt Pasen. Gerrit Achterberg dichtte er prachtig over, het past bij dit verhaal.

Bekering

Gij hebt het hoog geheim doorbroken, Heere Jezus
Tussen ons en den Vader, naar Uw Woord
mogen wij zonder zonde zijn en nieuwe wezens
wat er ook in ons leven is gebeurd.

Ik deed van alles wat gedaan kan worden,
het meest misdadige – en was verdoemd.
Maar Gij hebt God een witte naam genoemd
met die van mij. Nu is het stil geworden,
zoals een zomer om de dorpen bloeit.

En moeten ook de bloemen weer verdorren:
mijn lendenen zijn omgord, mijn voeten staan geschoeid.
Uit Uwe Hand ten tweede maal geboren,
schrijd ik U uit het donker tegemoet.

Gerrit Achterberg