Preek 10 februari 2013

Gemeente van Jezus Christus

Als je het dorpje Kapernaum verlaat, naar het oosten, dan zie je in de verte de bergen. De bergen van de hoogvlakte van Golan. Het land is laag, rotsachtig, licht heuvelachtig en dan rijzen aan de horizon die massieve bergen op. Ver weg, zo ver als dat je bij de rotonde staat en in de verte de contouren van Meppel ziet . Alleen dan die bergen nog veel hoger, honderd keer zo hoog, immens hoog
het Meer van Kapernaum ligt 200 meter beneden de zeespiegel, de hoogste berg van de Golan 2800 meter erboven. Dat betekent 3000 meter omhoog. Letterlijk dus van hier naar Meppel recht omhoog.

Als je in Kapernaum aankomt, met de bus, dan stopt de bus op het marktplein, het is druk, geroezemoes, veel mensen om je heen, want je bent toerist, en dat betekent geld. Veel kraampjes, drinken, eten, geroosterd vlees, kooplui die hun waar aanprijzen. De lucht vol van de geur van kruiden.

Ergens daartussen loopt Jezus, mensen om hem heen. Een gedrang tussen die kraampjes. Sensatiezoekers, mensen die echt zoeken, mensen die vloeken omdat ze in het gedrang komen.

De ruimte in, ze lopen uit het dorpje in de richting van die bergen.
En na een kleine kilometer, ligt daar het water, het meer van Kapernaum..
Soms dan valt de wind uit de bergen neer, met een enorme kracht, zoals ze bij ons om de huizen fluit, en de pannen doet ratelen, ze zwiept de golven hoog op en het water dreigt dan; is grauw en gevaarlijk. Maar nu niet.

Het is ochtend, nog niet al te heet. Dan is het het aangenaamst. Het water stil. De mensen worden stil, het is een schare, een grote groep.
De sensatiezoekers, ze zijn achtergebleven, niets te beleven.
De vloekers staan weer met beide benen op de grond.
Een schare nog, die aandringt om hem te horen.
Het woord van God. Want die naam had die man met zich mee.
Wat is dat eigenlijk, het woord Gods. Dat je met elkaar daar staat te dringen, om dát te horen.
2 boten, niet al te groot, zeg maar zo’n 2x zolang als bij ons een gewone roeiboot. Een paar mannen erbij, die de netten al uit de boot hebben gesjouwd. Op het witte zand spoelen ze de netten.

Jezus vraagt aan één van hen, Simon is zijn naam, om hem in de boot iets van de kant te brengen.
En ach, voor niets gaat de zon op, maar dat zeg je niet, je kijkt wel wat je krijgt.
Ze hebben niets gevangen, alles is meegenomen. Zo gaat dat in die landen, tot op de dag van vandaag.

Jezus gaat zitten. Het is stil, want als het waait en de golven slaan, dan voer je geen gesprek, dan schreeuw je naar elkaar. Hij zette Zich neder en leerde de scharen van het schip uit.

Daar is het gebeurd. In de woorden die Hij sprak. Misschien in zijn gebaren, misschien ook door zijn donkere ogen, Hij was een Jood.
Maar wat daar gezegd is dat was waarheid. Dat was zozeer waarheid, dat toen hij ophield met spreken, het nog stiller was.

En dan? Ja, normaal dan zou Jezus uit de boot stappen, wat kleingeld geven aan de man die hem zijn boot heeft uitgeleend en van daar gaan. Verder.
Maar Hij zegt: GA NAAR DIEP WATER EN ZET UW NETTEN UIT OM TE VISSEN
Dat hadden ze de hele nacht al gedaan. Maar blijkbaar is er iets veranderd na die woorden.
MEESTER, DE GEHELE NACHT DOOR HEBBEN WE HARD GEWERKT EN NIETS GEVANGEN
Ja, dan ben je moe. Die nachten, die nekken je. Dat is nog zo, als je nachtdienst hebt, dan moet je overdag maar zien te slapen. Thuis in huis moet iedereen maar stil doen, want pa of ma slaapt, en buiten is er altijd wel wat dat toetert, dat schreeuwt, dat roept.
Dan ’s ochtends, als het duister breekt, de zon komt, de laatste loodjes, alles nog schoon maken. Dan ben je moe, doodmoe. Dan wil je slapen.

Maar Simon niet, hij ging nog het water weer op omdat die man dat vroeg, die man omringd door die schare. En hij heeft geluisterd naar wat Hij zei. En het heeft hem geraakt.

Weet u, dat is het wonder van woorden. Woorden kunnen je diep van binnen raken. Soms dan zie ik het aan mensen, dan zitten ze zo vast, en zo vol.
En dan vraag ik: zullen we eens een keertje praten, daar ben ik toch voor.
En dan antwoorden ze: ja, maar ik weet niet wat ik dan vertellen moet.
Maar als ze dan zitten dan komen de woorden vanzelf. En achteraf, dan zeggen ze, TJONGE JONGE, DAT HAD IK NIET GEDACHT, ik ben anders nooit zo’n prater.
Woorden bevrijden.
Maar dat moet je wel aandurven. Je moet over die drempel stappen, als het je raakt, als het je wat zegt, dan moet je het ook doen.
MEESTER, DE GEHELE NACHT DOOR HEBBEN WIJ HARD GEWERKT EN NIETS GEVANGEN, MAAR OP UW WOORD ZAL IK DE NETTEN UITZETTEN.

Dat hadden ze niet gedacht. Hun buit is meer dan ze bevatten kunnen. De netten scheuren, ze kunnen het niet aan. En die anderen die aan de kant hadden toegekeken, op het roepen en het wenken van hun makkers schieten ze te hulp. Ze waren nooit zulke praters, maar nu.

Hé, die Simon, hij staat al weer aan de kant, en hij valt op zijn knieën en hij zegt: GA UIT VAN MIJ.
Wat? is hij van de duivel bezeten? Nee, ja, GA UIT VAN MIJ, WANT IK BEN EEN ZONDIG MENS.

Hij is bezeten, en hij ziet zichzelf ook als een zondig mens, wat is dat?
Voor de trouwe kerkgangers, ik had het de vorige keer over een Russisch regisseur, Andrei Tarkovski. Die tegen zijn vriend zei ’Ik wil dat je me herinnert als een zondaar’.
Ik heb dat toen zo uitgelegd:
Zonde, dat is: als je keer op keer, voorbij gaat aan jezelf.
Je blijft vastklampen aan de buitenkant, geen ruimte maakt voor wat binnen in je leeft, wat je draagt.
En wat van jou inzet vraagt, en vooral ook lef om dat te doen groeien.
Waar de bron ligt van jouw liefde voor jezelf en voor de mensen om je heen,
waar de kern ligt van jouw kracht dat je een mens bent die wat te bieden heeft aan het leven,
van je creativiteit, van je toewijding, je zorgzaamheid, je vakmanschap, je oprechtheid.
zonde, dat is als je daaraan voorbij gaat, aan jezelf

GA UIT VAN MIJ, WANT IK BEN EEN ZONDIG MENS. zegt Petrus.
Ga uit van mij is hij dan bezeten?
Ja en nee.
Meer dan door de boze is hij bezeten door Jezus. Begrijpt u dat?
Dat is belangrijk. Dat moet u maar onthouden, dat kan nog wel eens van pas komen. Want er zijn wel meer verhalen in de bijbel waarin een mens bezeten is, door de duivel, door de satan, door een ziekte, een legioen.
Wij geloven daar niet zo meer in. We zeggen dan dat iemand ziek is, of geestelijk niet orde, of hoe we het ook noemen.
Maar in de bijbel, dan zeggen ze dat je bezeten bent, dan wordt je beheerst, door iets of iemand waar je bang voor bent.
Meestal door de tweedracht, verbittering, door ziekte, door boosheid.

De woorden van Jezus zijn blijkbaar weerloos bij deze man naar binnen gekomen.
Hebben hem zo geraakt, dat hij zegt, ik ben door jou bezeten.
Hij is er bang voor want wat zullen die woorden met hem doen.

Ik zeg wel eens tegen mensen, je hoeft niet bang te zijn voor wat je allemaal denkt. Want soms denken mensen hele erge dingen.
Dan kunnen ze in gedachten iemand wel doodslaan, of soms nog enger, dan zouden ze hun kind voor een auto kunnen gooien, of zelf met de auto tegen een vrachtwagen.
Wees niet bang, zeg ik dan, laat het maar naar buiten komen, vertel het maar. Want achter die boosheid, achter die vreselijke dingen zit meestal verdriet.
Begrijpt u dat? Dat woorden kunnen bevrijden.
Dat mensen bezeten zijn, omdat ze angstig zijn voor wat ze zelf voelen, denken en soms willen.
In Godsnaam, kom eens praten, want het boze moet eruit.

Simon is bezeten van Jezus. Hij is geraakt door de woorden van Jezus. Tot in zijn ziel. En door de woorden gedreven is hij met hem in zee gegaan. En eenmaal over die drempel, dat hij niet gedacht. zegt hij
GA UIT VAN MIJ, WANT IK BEN EEN ZONDIG MENS.
Je maakt me bang.
Want ik voel dat ik niet kom, niet waar kan maken, wat ik waar zou moeten maken.
Wie ik ben, wie ik zijn mag.
Wat ik in me heb.

die bron van liefde voor jezelf en voor de mensen om je heen,
die kern van kracht dat je een mens bent die wat te bieden heeft aan het leven,
van je creativiteit, van je toewijding, je zorgzaamheid, je vakmanschap, je oprechtheid.

Ja, nou ja, dat wist Jezus ook wel, wie zonder zonde is die werpe de eerste steen. Maar dat is nou het aardige van het evangelie. Voordat je het weet zit je in hetzelfde schuitje. En dan kan je wel roepen,
GA UIT VAN MIJ, WANT IK BEN EEN ZONDIG MENS. Maar eenmaal over de drempel.
Dan hoor je er eigenlijk bij. Dan mag je meedoen, of je nou zondig bent of niet.
Of dat je nou gelovig bent of niet.
Of jou nou steeds weer voorbij gaat aan jezelf of niet.

Frans Breukelman die zei het eens zo mooi, over zijn eigen predikant schap:

DIENST AAN HET WOORD, BEDIENING VAN HET GODDELIJK WOORD,
DAT IS DE GLORIE VAN DE PROTESTANTSE KERK! …
MAAR ZELF DENK JE DAN: HET MOET WEL ZO ZIJN EN IK KAN HET NIET LATEN OM HET TE GELOVEN, MAAR IK GELOOF HET ZELF OOK WEER HELEMAAL NIET.
KUN JE JE DAT VOORSTELLEN? JE DOET VRESELIJK DAPPER, STOER, GELOVIG.
IEDEREEN DENKT: TJONGE WAT EEN GELOVIG MAN!
DAT IS DIE EIGENAARDIGE SPANNING WAARIN JE LEEFT. JIJ BENT HELEMAAL NIET DIE GELOVIGE MAN, JE GELOOFT ER NIETS VAN. JE BENT IN DE THEOLOGIE GEROLD EN DAN MOET JE DEZE DINGEN TOCH ZO ZEGGEN. EN DAN ZEG JE ZE LUID EN KRACHTIG TEGEN ANDEREN, NAAR NOG HET MEEST TEGEN JEZELF.

Kijk, dat is geloven, dat je toch geraakt bent door die woorden.
Ik heb het zelf op mijn eigen manier ervaren. Toen ik voor het eerst ging preken was voor mij de vraag: kan ik werkelijk authentiek spreken van God.
Niet over God, maar dichterbij, vanuit mijzelf, kan ik spreken van God.
Het lukt nog steeds.

Net zoals Simon, die het voorrecht had met Jezus in het zelfde bootje te stappen.
Wij, wij lezen het, we weten niet eens wat Jezus daar gesproken heeft, alleen dat het het woord van God is.
Als we dan stil staan, daarbij die stilte aan het meer. Bij Simon, die om een paar woorden en een boot vol vissen alles achter zich laat. Omdat hij toch niets meer had om te verliezen.

Om dan te begrijpen dat het niet is omdat wij overal mee instemmen kunnen, omdat wij alles geloven kunnen. Of omdat wij goed genoeg zouden zijn.
Wij zijn allemaal mensen die zoeken. Op zijn tijd eens vloeken als je aan de kant wordt gezet. Sensatie zoeken omdat je wat nieuws wilt.
Maar ook waarheid zoeken.
WIJ ZOEKEN WOORDEN DIE ONS RAKEN.
WOORDEN VAN VERZOENING, VAN VERGEVING, VAN VERLOSSING.
WOORDEN DIE ONS DE RUIMTE GEVEN OM ONS PLEKJE IN TE NEMEN.
Opdat we weten mogen, ja, ik heb ook mijn duistere kanten, in doen en denken. Ik ben een zondig mens, zegt Simon.
Maar het duister is bedoeld om aan het licht te komen.
De boze moet uitgedreven worden.
Opdat wij mensen mogen zijn die Jezus volgen.
En achter ons laten, de striknetten van het verleden.
Het zwoegen in de duisternis van onze gedachten en verdriet.
Wacht niet langer, de nacht is voorbij, het is morgen geworden
WEES NIET BEVREESD, VAN U AF AAN ZULT GIJ MENSEN VANGEN.
Mensen als jij en ik, die leven uit genade alleen.
amen.

Literatuur: Gesprekken met Frans Breukelman