Preek 18 november 2012

Geliefden in onze Here Jezus Christus,

De beide reeds gelezen Bijbelgedeelten hebben mij geïnspireerd tot het (s)preken over het thema – Gaan tot het uiterste. Dat deden, helaas voor de mannen, twee vrouwen. Abigaïl én een arme weduwe. Van Nabal, de man van Abigaïl, wordt gezegd dat hij zeer rijk was. Nu wordt dat van Abigaïl niet expliciet gezegd, maar ik neem aan dat zij ook wel een graantje uit de rijk gevulde ruif meegepikt zal hebben. De Here Jezus maakt duidelijk dat een arme weduwe ook tot het uiterste ging. Voor beide geldt, mogen we aannemen, dat het tot het uiterste gaan in verband stond met hun geloof in God. Hoewel er bij Abigaïl ook andere argumenten een rol gespeeld zullen hebben. Maar daar kom ik misschien nog wel op terug.

Tot het uiterste gaan. Wanneer doen wij dat? We kunnen dat meermalen meemaken bij sporters die een topprestatie willen leveren. We kunnen zó door onze hobby in beslag genomen worden dat niets ons te veel is. Kosten nog moeiten kunnen we sparen. We kunnen zó begaan zijn met het lot van een hulpbehoevend gezins- of familielid, dat we onszelf geheel wegcijferen. Dan dreig je er zelf onderdoor te gaan. We zetten ons voor meer dan honderd procent, zo dat al kan, in voor onze werkzaamheden, om maar promotie te kunnen maken. Maar gaan wij ook tot het uiterste als het gaat om ons geloven in God handen en voeten te geven? Dat wil zeggen: Hebben wij de naaste, die aan ons gelijk is, ook werkelijk lief? Hebben wij werkelijk oog voor het heil, de heelheid van medemensen? En dat in een maatschappij die heel egocentrisch ingesteld is?

Daarom is het goed daar vandaag weer eens over aan het denken gezet te worden en de komende tijd ons af te vragen, én trachten te realiseren, hoe wij in ons geloven in God tot het uiterste kunnen gaan. Dat zou te maken kunnen hebben met een aantal uiterlijke dingen, en die hebben het ook wel, als het gaat om kerkbezoek, deelname aan gespreksgroepen, zitting nemen in kerkenraad of een commissie. Inzet voor het jeugdwerk of je verantwoordelijkheid weten voor de vaste vrijwillige bijdragen. Maar ik bedoel óók iets heel anders. Tot het uiterste gaan in het liefhebben van God boven alles. Daarvoor kunnen we helaas geen checklijst maken. Laten we voor onszelf maar eens nagaan wat we daar van terechtbrengen.

Van Abigaïl, de vrouw van Nabal, kunnen we in ieder geval stellen dat zij tot het uiterste ging. Het is niet niks om geheel voorbij te gaan aan een rijk en beducht man,als die ook nog je echtgenoot is. Zij stelt alles tot het uiterste in het werk om het niet zo ver te laten komen dat David allen uit het huis van Nabal zal doden. Nabals handelwijze zou daar toe geleid hebben, wanneer Abigaïl niet had ingegrepen. Zij maakt goed, wat Nabal heeft geweigerd. Een beloning voor David voor de bescherming die hij en zijn mannen gegeven hadden aan de herders van Nabal. Daar gebruikt zij het volgende motief voor. Al eerder was David ervoor bewaard gebleven bloedschuld op zich te laden. Dat was toen hij de mogelijkheid had om Saul te doden, en alleen maar een slip van

And dont notice scoop of over the counter asthma inhalers smooth buy. My the wellbutrin BIOLAGE first as discontinued Shipping cheapviagrausa the can like down cialis online canada fast delivery as that looks another cialis brand 20 mg heard recommend. Trying can you get clomid in mexico awful Obaji the itself irish pharmacies online are This age best generic viagra from india iron spread hair Father’s.

diens mantel sneed. Bovendien geeft Abigaïl aan ervan overtuigd te zijn dat de Heer David een bestendig huis zal verschaffen. Verder kunnen we over haar motieven alleen maar wat filosoferen.

Je zou haar kwalijk kunnen nemen dat zij op een minachtende manier over haar eigen man sprak. Dat zou echter juist ertoe geleid kunnen hebben om David op andere gedachten te brengen. Had het al wat te maken met het in de toekomst één van Davids vrouwen te worden? Heeft Abigaïl enkel gehandeld om haar eigen hachje te redden? Vele vragen, maar geen antwoorden. Maar wel vragen, die we onszelf mogen stellen en nagaan of wij ons daar op de één of andere manier schuldig aan maken. Abigaïl ging in ieder geval tot het uiterste. En welke bijmotieven daar een rol bij speelden, zullen we maar in het midden laten. In ieder geval vervulde het geloof in God daar een belangrijke rol in.

Maar hoe kunnen wij dan tot het uiterste gaan in ons geloven in God vandaag in de praktijk van ons leven waar maken? Er zijn immers zoveel dingen waarin we veel verder zouden kunnen en moeten gaan, dan gebeurt. Schieten we niet tekort in heel de milieuproblematiek? Hoe is onze inzet voor de vreemdeling in onze poorten? Gedragen we ons in het verkeer zoals het behoort? Is er volop ruimte voor optimale gezondheidszorg? Krijgt iedereen in het onderwijs gelijke kansen? Accepteren we onze homoseksuele medemens volkomen? Hoe gaan we om met het zegenen van andere dan huwelijkse relaties? Heel het arsenaal van problemen en gecompliceerde uitzichtloze situaties is ongetwijfeld nog vele malen groter. Verwijzing naar het gaan tot het uiterste in het geloven in God, zal niet ineens iedereen vaste grond onder de voeten geven. Maar ik geef het wel door. Want gehoorzamen aan de Heer van hemel en aarde kan een wereld doen ontstaan waarin het voor miljoenen mensen onnoemelijk veel beter toeven is dan die nu in het jaar 2012 werkelijkheid is.

De Here Jezus wijst daar ook op, zo hebben we in het Marcusevangelie gelezen. Schriftgeleerden weten blijkbaar allemaal bijzonder goed hoe de dienst aan God in praktijk gebracht behoort te worden. Veel mensen kijken dan ook met bewondering naar hen op. Zoals wij dat vandaag kunnen doen naar mensen die heel veel weten of over grote macht beschikken. Maar zelfs onder presidenten van grote wereldfaam treffen we er aan, die meer oog hebben voor zichzelf, dan waar het werkelijk op aan komt. Voor het heil van medemensen gaan zij lang niet altijd tot het uiterste.

Jezus waarschuwt tegen de Schriftgeleerden van zijn tijd. Hij noemt vier dingen, die op zichzelf waarschijnlijk wel respect afdwingen. Wandelen in lange gewaden. Daarin vallen ze tenminste op en zien de mensen tégen hen op. Het is niet bekend of dit speciale, een soort ambtsgewaden zijn. Zij zijn gesteld op begroetingen op de markten. Daarbij denk ik aan beleefde begroetingen van passanten, die daarmee laten blijken hoe zij tegen schriftgeleerden opzien en hen eervol willen behandelen. Schriftgeleerden zitten graag op erezetels in de synagogen en nestelen zich graag op de eerste, lees voornaamste, plaatsen bij de maaltijden. Nu behoeven al deze genoemde zaken op zichzelf nog niet slecht te zijn. Waarschijnlijk benadeel je er niemand mee.

Maar beter dan jezelf een bepaalde positie toe-eigenen is het dat anderen jou die verlenen. Het is beter dat gezegd wordt: Kom hoger op vriend, dan direct zelf al de hoogste plaats in bezit te nemen. Want dat kan door velen wel als een ereplaats geduid worden, het is maar de vraag of je praktijken er ook naar zijn. Bij de Schriftgeleerden blijkt dat duidelijk niet het geval te zijn. Want … zo zegt Jezus, zij eten de huizen der weduwen op en spreken voor de schijn lange gebeden uit. Dezen zullen een zwaarder oordeel ontvangen. Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

Moeten we ons gradaties voorstellen bij het oordeel? Ik moet eerlijk zeggen dat ik me daar niet zo goed wat bij kan denken. Ik weet daar niet zo goed weg mee. Ook met het oordeel kan ik niet zo goed uit de voeten. Ik wil dat maar in de handen van God leggen en dan ben ik mij bij zijn oordeel desondanks toch ook bewust van zijn oneindig grote genade. Daarom is mijn uitleg van deze woorden van Jezus dan ook, dat het voor de Schriftgeleerden veel moeilijker, veel zwaarder is, om tot het uiterste te gaan in datgene wat in gehoorzaamheid aan God tot uitvoer gebracht dient te worden. Zij hebben de mond wel altijd vol met de geboden Gods. Ze hebben er zelf ook nog tientallen wetjes en regels aan toegevoegd. Maar, lopen hun harten ook over van de liefde voor God en medemensen? Lopen zij voorop in de rij van mensen die anderen van dienst zijn? Heil bezorgen?

Dan volgen de ontnuchterende woorden: zij eten de huizen van de weduwen op en zij spreken voor de schijn lange gebeden uit. Het opeten van de huizen van de weduwen zal wel een zeer sterk overdreven uitdrukking zijn voor het op de één of andere wijze tekort doen aan de weduwen. In ieder geval wordt daarbij ook heel sterk gedacht aan het te veel geld vragen voor geboden rechtshulp. En voor de schijn spreken zij lange gebeden uit. Het lijkt allemaal zo mooi. Schriftgeleerden, die arme weduwen helpen om tot hun recht te komen. Maar met de gepresenteerde rekening doen zij hen onrecht aan. Het lijkt zo vroom, zo goed, al die lange gebeden. Maar daarmee kun je meer vroomheid voorwenden dan je in je hart aan God laat blijken. Een gewaarschuwd mens telt voor twee. Ook wij moeten samen zorgen voor de weduwen en de wezen. Voor de mensen die vandaag in onze samenleving het zwakst zijn. Ook zij hebben recht op een rechtvaardige behandeling. Zij mogen toch ook delen in de welvaart, de economische bloei? Al zal het in Nederland nog wel even duren voor die weer iets begint te ontluiken. Maar in ieder geval behoren vooral de minst draagkrachtigen er niet te veel onder te lijden.

Ook wij moeten ons niet vromer voordoen dan we zijn. Niet alleen zéggen waar het op aankomt, maar het ook werkelijk doen. Laten onze gebeden oprecht zijn. En dan maakt het niet uit of die lang of kort zijn. Als ze maar uit ons hart komen. Laten zij vanzelfsprekend zijn. Want wij kunnen bij het ontvangen van zoveel goeds van God, niet voorbijgaan aan het Hem daarvoor de dank te brengen. Laat die maar regelrecht uit de diepte van ons hart komen. Dat kan met eigen woorden. Dat kan met formuliergebeden. Als we er maar van overtuigd zijn dat de liefde voor God en onze gehoorzaamheid aan Hem er onvoorwaardelijk uit blijkt.

Tenslotte nog het volgende. Het verhaal over de muntjes van de weduwe zet ons aan het denken over hoe wij onze dankbaarheid jegens God in de praktijk kunnen laten blijken. Zij gaf als offer, dus uit dankbaarheid, twee muntjes. Bijna het kleinst mogelijke bedrag stelde zij ter beschikking voor de dienst aan God. Voor veel mensen was het een te verwaarlozen bedrag aan geld. Maar voor haar was het álles. Voor haar was het een bedrag, dat zij nodig had om de volgende dag in haar levensonderhoud te kunnen voorzien.

Haar liefde voor God ging alles te boven. Met het geven van de twee muntjes was ze tot het uiterste gegaan. Waar ze de volgende dag van zou moeten leven, zou ze dan wel weer zien. Wat heeft ons dat vandaag te zeggen? We kunnen toch niet alles weggeven? Ik denk ook niet dat dit hier van ons gevraagd wordt. Maar wel, maar wel een aanwijzing, hóé de gemeente van onze Heer Jezus Christus in deze wereld dient te staan. Het heeft wel alles te maken met waar het op aankomt. Vanuit de gehoorzaamheid aan God en de liefde voor Christus en het ons mee laten voeren door de heilige Geest er aan meewerken dat niemand ter wereld gebrek behoeft te lijden. Een heel hoog gegrepen ideaal. Maar noodzakelijk voor wie het heil van God wil ontvangen. Die weg zullen wij door eigen innerlijke drang met vreugde lichtvoetig gaan, zodat onze wegen en die van onze medemensen niet heilloos blijken te zijn. Zullen we daarin tot het uiterste gaan?

Amen