Preek 26 augustus 2012

Twee vrouwen staan vandaag centraal in het evangelie naar Marcus. Wel fijn dat er het evangelie ook van die menselijke verhalen staan als over vloeiende vrouwen! Maar het is wel dood en ongemak waar het over gaat. Leven zoals het niet bedoeld is. Kinderen zijn er om te leven, en vrouwen die door bloedarmoede zo slap zijn als een vaatdoek, en bovendien onrein verklaard en uit de gemeenschap verbannen, dat is een ramp.

De twee verhalen over de bloedvloeiende vrouw en het dochtertje van Jairus zijn op een kunstige manier in elkaar vervlochten. Op het 1e gezicht lijken ze weinig met elkaar te maken te hebben.
Het getal 12 komt bij beiden voor. De vrouw is 12 jaar ziek, het meisje is 12 jaar oud.
Zowel de vrouw als het meisje zijn door het leven in de steek gelaten. Door haar kwaal, bloedvloeiingen, geldt de vrouw als onrein en maakt zij alles wat zij aanraakt ook onrein, en dat niet even, een week in een maand, maar al 12 jaar lang, non stop! De hoop op leven is bijkans verloren. In 12 jaar lang is een wereld aan haar voorbijgegaan.
Het getal 12 kan erop duiden dat het thema van de maandstonden hier centraal staat, waarvan er immers twaalf in een jaar zijn.
De jonge vrouw zou aan het begin moeten staan van haar bloedvloeiing, haar menstruatie, haar leven als ‘groot meisje’, een gebeurtenis die nog vandaag in joodse families uitgebreid gevierd wordt. Maar ze gaat deze grens niet over. De nieuwe levensfase begint niet want haar leven lijkt haar te verlaten. Bij de oude vrouw zou haar bloedvloeiing moeten stoppen, maar ook zij gaat de grens niet over.Ook haar leven lijkt haar te verlaten, het vloeit uit haar weg.
Beiden zijn zij in die zin ziek.

Het verhaal over de bloedvloeiende vrouw is dus ingebed in het verhaal over het dochtertje van Jairus.. Het dochtertje van Jairus, de leider van de synagoge, ligt op haar uiterste (Mc.5,23), ze ligt op sterven. Zo begint het verhaal. Zo gezegd is het een passieve manier van zeggen. In het Grieks staat het er beslist anders: ‘zij houdt vast tot het uiterste’, zeer actief dus. De moeilijkheid zit in de interpretatie daarvan. Wil het meisje geen volwassen vrouw worden met alles wat daarbij hoort: huwen, baren enzovoort? Wil zij liever kind blijven? De leeftijd van 12 jaar is de grens. Jongens gelden immers op die leeftijd als volwassen en tellen mee in de synagoge.

Als de overste van de synagoge Jairus bij Jezus komt en hem smeekt zijn stervende dochtertje de handen op te leggen zodat zij behouden wordt, en Jezus met Jairus meegaat, wordt hij opgehouden door een duwende menigte en is daar ineens die vrouw.
Hoe komt het dat ze zo blijft bloeden? Is ze zo verwond geraakt in haar leven?
Het leven van deze vrouw vloeit uit haar vandaan en ook haar geld stroomt weg, want ze doktert wat af.
Haar leven is één doorlopend verlies, ze wordt alsmaar leger, alsmaar armer.
Wellicht is het zo’n vrouw die alleen maar zichzelf kan wegcijferen, alleen maar kan geven en niets voor zichzelf kan vragen, niets durft te ontvangen. Zichzelf alleen maar aanpast aan een ander en zo zichzelf steeds meer kwijtraakt. Alle kracht en vitaliteit stromen uit haar weg.

En hoewel geen dokter haar heeft kunnen helpen tot nu toe, heeft ze nog hoop.
Zou ze dan toch nog genezing kunnen vinden? Want er wordt gezegd over Jezus dat hij met ontferming bewogen is over mensen; dat er liefdeskracht van hem uitgaat. Liefde van een God voor wie je je niet hoeft te schamen, voor je verleden niet, voor je onreinheid en seksualiteit niet en ook niet voor je wonden. Een God die niet vies van je is. Zij durft weer iets voor zichzelf te nemen als ze de zoom van zijn kleed aanraakt. Het is een omkeer. Eindelijk geeft zij niet langer weg maar durft zij voor zichzelf te nemen.

En ‘meteen valt de bron van haar bloeden droog en herkent zij aan haar eigen lijf dat zij geneest van haar kwaal’, zegt Markus.
En Jezus voelt dat er kracht van hem is uitgegaan. Is het de kracht van Jezus die haar geneest, of is het de kracht die zijzelf toch nog weet te mobiliseren, de moed om haar huis te verlaten, het vertrouwen dat haar de hand deed uitstrekken? De durf toch nog iets voor zichzelf te vragen?
Het moet wel van beide zijn.

Jezus wil weten wie hem aangeraakt heeft. Ze moet toch nog tevoorschijn komen. Zichtbaar voor iedereen, zichzelf laten zien, aan het licht komen.
Jezus wil haar zien en is niet vies van haar. ‘Dochter, dit geloof van jou heeft je gered, zegt hij. ‘Ga heen in vrede en wees gezond, vrij van je kwaal.’
De vrouw maakt zichzelf bekend en vertelt haar verhaal. Ze schaamt zich niet langer.

Jezus ziet hier geen onreine vrouw in overtreding.
Zij zou volgens de tora iedereen die ze aanraakte meteen verontreinigen. Iedereen, behalve Jezus.
Zonder meer is Jezus geconfronteerd met angstdenken rondom rituele reinheid en heeft hij als rabbi in dat veld heel bewust stelling genomen. Jezus heeft gekozen voor het perspectief van de slachtoffers en tegen de cultus van de formele zuiverheid. Jezus ziet hier een dochter van God.

Maar intussen wordt de spanning opgevoerd.
Want het meisje leeft niet meer! Het is te laat. Fijn voor die vrouw dat ze nu van haar kwaal af is, maar intussen is het kind wel dood. Maar zoals Jezus verrast doordat hij tijd voor de vrouw neemt, zo verrast hij opnieuw door tijd te nemen voor iemand die ten dode is opgeschreven. Voor Jezus is het nog niet te laat. En voor het meisje ook niet.
Jezus zegt tegen Jaïrus: ‘Vrees niet, geloof alleen.’ Wat was er toch met dat meisje aan de hand? Nico ter Linden zegt:
Het meisje is het dochtertje van… Ze is geen vrouw met een eigen naam, nee zij ontleent slechts haar naam aan die van haar vader. Dochtertje, een verkleinwoord, terwijl zij toch een meisje op de grens van de volwassenheid is, twaalf jaar, huwbaar – een leven vóór zich. Maar op de drempel van het leven verkeert zij op de drempel van de dood. Straks zal Jezus zeggen dat ze haar te eten moeten geven. Lijdt zij misschien aan een vorm van wat wij tegenwoordig anorexia noemen?
Overste van de synagoge is haar vader. Zijn kind groeit dus op in een glazen huis. Alles wat ze doet en alles wat ze nalaat heeft onmiddellijk invloed op de positie van haar vader.
‘Dochtertje van’ klinkt dierbaar, maar ook bezitterig. Zo raak je in de knoop, met je leven, met je lijf, met de liefde. Wil het meisje niet meer leven? Als dochtertje van Jaïrus moét ze ook dood, wil ze ooit leven! En Jaïrus moet in zekere zin ophouden vader Jaïrus te zijn, want alleen dan kan zijn dochter ophouden dochtertje van Jaïrus te zijn.

Bij het huis aangekomen zijn er veel mensen die misbaar maken en lachen als Jezus zegt: ‘het meisje is niet dood, zij slaapt’. Jezus gooit iedereen het huis uit.
En tegen het meisje zegt hij: ‘Talitha, koem, meisje, sta op, meisje word wakker.’
Sta maar op eigen benen, je kunt het! Het is de hoogste tijd. Je bent twaalf!

De theoloog Karel Eykman heeft zich in de moeder van het meisje verplaatst en schrijft:

Wat er met haar is gebeurd, zal ik nooit vergeten, maar wat er aan haar is veranderd, daar kom ik nooit achter. Ik weet niet wat dat is. Ik zie haar lopen door het huis, verstrooid geeft ze de dieren eten. Vaak hangt ze in de stoel en kijkt voor zich uit. Dan weer staart ze uit het raam de tuin in en ik weet niet wat er in haar omgaat.
Ze vertelt het mij niet, misschien gaat het mij ook niet aan. Ze kijkt rond met andere ogen en ik zie haar met andere ogen. Dat is zo sinds ze is teruggekeerd uit de dood.

Het is alsof het mijn kind niet meer is. Ja ik weet wel, ik heb haar gebaard, ze is van mij en mijn man, ze heeft zijn neus en mijn mond. We wilden graag kinderen en we waren dolblij toen ze kwam. We houden zielsveel van haar, ze hoort bij ons. Alleen ben ik daar de laatste tijd niet zo zeker meer van.
Ze is mijn dochter nog wel, maar ze is mijn bezit niet meer. Misschien is ze dat wel nooit geweest. Misschien moet ik dat leren inzien, dat ze niet het product van haar ouders is. We hadden haar opgegeven, maar nu ze terug is in het leven, is ze niet meer uit mij geboren, nee… ze komt van God vandaan. Ze heeft haar leven niet meer aan mij te danken maar aan Jezus. Ze is een volstrekt eigen wezen geworden. Ze kijkt met eigen ogen de wereld in, nieuwsgierig en onbevangen. Ze loopt zo open en onbevreesd de mensen tegemoet, het is alsof ze niet eens beseft dat het een wonder is dat ze nog leeft.

Ik begin haar kwijt te raken en daar heb ik het moeilijk mee.
Maar dat hoort erbij en eerlijk gezegd lucht het me ook op. Haar geluk hangt niet van mij af, dus ik kan haar vrijlaten. Ze is geen kind van mij meer, maar een kind van God.
Het wordt tijd haar te laten gaan.