Preek 10 juni 2012

Geliefden in onze Heer Jezus Christus,

Het thema “Op reis gaan.” zal in deze tijd van het jaar wel een veel besproken onderwerp zijn. De vakanties staan er aan te komen, zoals we dat tegenwoordig vaak kunnen horen zeggen. En voor een grote groep landgenoten geldt immers dat zij aan bepaalde weken gebonden zijn om eens even op adem te komen. Het hele jaar door zie je echter kranten en tijdschriften vol staan met mooie en goedkope reizen. Een grote groep ouderen, waar ik zelf inmiddels ook toe behoor, zijn immers niet aan een bepaalde vakantietijd gebonden. Blijkbaar beschikken velen over een budget om regelmatig verre reizen te maken. Wrang is dat voor de mensen die met alle pijn en moeite moeten proberen de eindjes aan elkaar te knopen en voor wie met vakantie gaan er helemaal niet in zit. Zeker in deze onzekere tijd van werkeloosheid en crisis van euro en Europa. Bovendien kunnen ook allerlei andere redenen als ziekte of ouderdom of handicap aanwezig zijn.

Op reis gaan. Daar bereid je je op voor. Daar verwacht je veel van. Je hoopt een fijne tijd te hebben. Je wilt graag weer gezond thuis komen. Geldt dit op reis gaan ook wel voor de mensen die helemaal niet aan met vakantie gaan toekomen? En heeft dit op reis gaan nu ook wat te maken met het thema voor de verkondiging? In eerste instantie dacht ik daar ontkennend op te moeten antwoorden, maar ik zou het er wel mee in verband gebracht hebben. Vooral na het lezen van een boek van professor Honing ben ik sterk in mijn mening daarover bevestigd.

Professor Honing heeft Missiologie (Zendingswetenschap) gedoceerd aan de Theologische Universiteit in Kampen. Hij schreef een boek waarvan de titel luidt: “Hoe ver reikt het heil in Christus?” Daarin beschrijft hij zijn ervaringen van vele jaren met het spreken over wat voor hem nu het heil in Christus betekent. Hij sprak daarover met iedereen die daartoe bereid was. Juist ook met mensen van andere godsdiensten of met atheïsten. Dan kwam het erop aan, dat, wat je werkelijk diep in je hart gelooft, goed onder woorden kon brengen. Daar werd je door de vele vragen van de gesprekspartner wel toe gedwongen.

Honing is daarbij tot de ontdekking gekomen, dat je er dan niet zo veel aan hebt om een bepaalde christelijke leer goed te kennen en kunnen verwoorden. Veel belangrijker is van het christelijke geloof te kunnen getuigen als van je eigen weg die je door het leven gaat. Heel je leven kun je dan zien als een op reis gaan. Een onderweg zijn. Gelovigen mogen daarbij God altijd aan hun zijde weten. Onmiddellijk moet ik dan ook denken aan de Joodse godsdienst. Een Jood heeft geen geloof, maar Jood zijn wil zeggen: gelovig zijn.

Op reis gaan. Afscheid nemen. Dat laatste is een logisch gevolg van het eerste. Afscheid nemen van wat bekend en vertrouwd en je lief is. Je gaat naar een ver land emigreren. Je gaat met pensioen. Je gaat naar een ander school of je krijgt een nieuwe baan. Dan kan het spannend zijn om te ontdekken hoe het er uit zal zien op je verdere levensreis. Nu zijn de lezingen van vanmorgen, heel goed in verband te brengen met afscheid nemen en op reis gaan. In de lezing uit 1 Koningen 19 gaat het om de roeping van Elisa door Elia. Zijn werkzaamheden en zijn familie moet hij verlaten om een onbekende toekomst tegemoet te gaan.

In Lucas 9 begint het zogenaamde reisverhaal in het evangelie naar Lucas. De Here Jezus gaat op weg naar Jeruzalem. Zijn reis naar de stad, waar hij zal lijden en sterven is begonnen. Op die weg, waarop hij volgelingen mee neemt, moet hetgeen mensen van nature graag doen en willen, wel eens naar de achtergrond verschoven worden.. Het liefhebben van God staat op de allereerste plaats. En wij weten, en Christus heeft dat volmaakt getoond tijdens zijn leven op deze aarde, dat dan de ander voorrang krijgt. God is in Jezus Christus er voor ons mensen. Om ons te redden, vrede en geluk te schenken. Want hij wil niet dat één verloren gaat, maar dat allen behouden worden. Wat hebben de twee gelezen reisverhalen uit de bijbel ons vandaag te zeggen? Laat ik een schuchtere poging wagen daar een antwoord op te geven.

De paar gelezen verzen uit 1 Koningen 19 geven met enkele woorden weer, wat bij ons een tijdsbestek van maanden zou kunnen omvatten. Het wordt zo vermeld alsof het in een paar uur geklaard is. Dat laten we echter verder maar buiten beschouwing. Wat gebeurt er? Elia had net een uiterst moeizame periode in zijn leven achter de rug. Hij kon het leven niet meer aan. Hij begeerde zelfs te sterven. Maar bij een openbaring Gods ontvangt hij nieuwe krachten en nieuwe opdrachten.. Daar is het zalven van Elisa tot profeet als zijn opvolger er één van. Om iemand op te roepen te volgen was blijkbaar het toewerpen van een mantel voldoende. Het gebeurt Elisa terwijl hij druk bezig is het land te ploegen. Hij snelt daarop Elia achterna en zegt: Laat mij toch mijn vader en moeder kussen, dán wil ik u volgen.

Elia geeft ten antwoord: Ga heen, keer terug, wat heb ik u gedaan? Elisa keert terug. Er wordt niets gezegd over het kussen van vader en moeder. Wel dat hij runderen en ploeghout gebruikt om een offer te brengen. Daarna volgt hij Elia en dient hem. Wonderlijk, zullen wij vandaag zeggen. Het is ook maar de vraag in hoeverre dit alles op deze wijze precies zó gebeurd is. Eén ding wordt wel bijzonder duidelijk. Er moet afscheid genomen worden van alles wat achter je ligt. En bij heel je doen en laten dien je rekening te houden met hetgeen vóór je ligt. Daar moet je je blik op gericht houden.

Nu is het afscheid nemen van vader en moeder volgens de geldende wetten een heel normaal verschijnsel. Kent de thora niet het gebod: Eert uw vader en uw moeder? Vervalt dat dan zomaar? Absoluut niet. Maar hiermee wordt aangetoond wat het belangrijkste is. Het nakomen van het grote liefdesgebod kan wel eens met zich meebrengen dat andere geboden daar ondergeschikt aan gemaakt moeten worden. We zullen dat in het vervolg van deze preek nog meer tegenkomen. En wat zouden wij mensen dat vandaag in deze wereld, te beginnen hier in Nijeveen, nog veel vaker in praktijk moeten brengen.

De lezing uit Lucas 9 begint met: Toen de tijd naderde dat Jezus van de aarde zou worden weggenomen, ging hij vastberaden op weg naar Jeruzalem. Hoewel we weten dat Jezus in ieder geval met zijn twaalf discipelen op reis ging, weten we niet of de er op uit gestuurde boden ook uit de twaalven waren. Heel de wijze waarop het op reis gaan beschreven wordt, geeft aan dat dit alles te maken heeft met die belangrijke, beslissende missie die Jezus hier op aarde te vervullen heeft en die eindigt met zijn lijden en sterven in Jeruzalem. Vastberaden op weg naar Jeruzalem.

De vooruitgestuurde boden worden niet met gejuich ontvangen in het dorp van de Samaritanen, waar ze wilden verblijven. Jezus was niet welkom omdat hij vastberaden op weg was naar Jeruzalem. Dat heeft te maken met een controverse tussen Joden en Samaritanen. Die was al ontstaan in de achtste eeuw voor Christus, toen veel inwoners van het noordelijk rijk weggevoerd werden door de Assyriërs. De achtergebleven Joden werden vermengd met andere volkeren. Men probeerde de godsdienstige verplichtingen te blijven vervullen op de berg Gerizim. Tot op die dag vond men het nog niet noodzakelijk om daarvoor naar Jeruzalem te gaan. Er was zelfs een bepaalde rivaliteit onder Joden ontstaan over de vraag waar God nu aanbeden moest worden. Gerizim of Jeruzalem. Vandaar dat men in Samaria niets ophad met iemand die vastberaden op weg ging naar Jeruzalem.

Jacobus en Johannes, twee van de drie discipelen die ook aanwezig waren bij de verheerlijking op de berg, wilden grof geschut gebruiken. Zij vroegen Jezus: “Heer, wilt u dat wij vuur uit de hemel afroepen dat hen zal verteren?” Daar wil Jezus echter helemaal niets van weten. Niet de Samaritanen worden bestraft vanwege hun ongastvrijheid. Daar horen we geen woord over. Maar de twee discipelen worden bestraft. We weten niet met welke woorden. In ieder geval wil Jezus geen kwaad met kwaad vergelden. Zij gingen naar een ander dorp. Naar welk? Lag dat dorp ook in Samaria? We weten het niet. We gaan gewoon onze reis vervolgen naar Jeruzalem.

Tijdens de reis van Jezus naar Jeruzalem, raken mensen diep onder de indruk van al hetgeen Jezus doet en predikt. Zozeer, dat iemand tegen hem zegt: Ik zal u volgen, waarheen u ook gaat. Daarop zegt Jezus tegen hem: De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen. Verder niets. We horen geen reactie en we weten niets van hetgeen daarna gebeurt. Alleen ….. Alleen ……, de Here Jezus wil maar zeggen dat wie hem volgt, een onzeker bestaan tegemoet gaat. Tenminste wanneer het gaat om bepaalde zekerheden en veiligheid, die je op prijs stelt en waar je al aan gewend bent hier op deze aarde. En we weten uit een ander bijbelverhaal van de rijke jongeling dat hij bepaalde verworvenheden niet graag prijs gaf.

Trekken we dat door naar ons bestaan vandaag, dan is dat eigenlijk nog precies hetzelfde. We zéggen wel in Jezus Christus te geloven en hem te willen volgen. Maar wat tónen we daar van in ons dagelijks bestaan? Nemen we toch maar niet allerlei maatregelen die ons verzekeren van de wieg tot het graf? En zijn we soms niet hopeloos vertwijfeld en boordevol onzekerheid alsof het geloof in de aanwezigheid van God en zijn zorg voor ons totaal verdwenen is? Natuurlijk kan ik niet diep in jullie harten kijken. Maar laten we allemaal voor onszelf maar eens antwoord proberen te geven op deze vragen.

Tegen een tweede mens zegt Jezus: Volg mij! Maar deze vraagt eerst om zijn vader te mogen begraven. Op zichzelf een heel redelijke, begrijpelijke vraag. Bovendien, net als de vraag van Elisa, geheel in de lijn van de Joodse thora. Een dode moest nog dezelfde dag begraven worden. En volgens de Joodse wetgeving was je daar als familielid of als volksgenoot toe verplicht. Maar wat zegt Jezus? “Laat de doden hun doden begraven. Hier zou ik een heel betoog over kunnen houden. Laat ik volstaan met te zeggen dat met de doden, die moeten begraven, de geestelijk doden bedoeld zullen zijn. De doden, die begraven moeten worden, kunnen zowel geestelijk als lichamelijk dood zijn geweest. In ieder geval, wie leeft, moet op weg gaan om het koninkrijk van God te verkondigen.” Heen gaan. Op reis gaan en het koninkrijk van God verkondigen. Daarbij moet je soms afscheid nemen van veel wat je lief en dierbaar is.

Tijdens de reis naar Jeruzalem is er nog een derde die zegt: Ik zal u volgen Heer, maar sta mij toe dat ik eerst afscheid neem van mijn huisgenoten. Een vraag, een voorwaarde waar we alle begrip voor hebben, niet waar? Maar de Here Jezus zegt: Wie de hand aan de ploeg slaat en achterom blijft kijken, is niet geschikt voor het koninkrijk van God, We moeten hierbij onmiddellijk aan de roeping van Elisa denken. Elisa was aan het ploegen. Hij mocht niet kijken naar het verleden, naar wat hij achterliet. Er werd niet positief gereageerd op zijn vraag om zijn vader en moeder een afscheidskus te geven. Kijk je bij het ploegen achterom, dan kun je geen rechte voren trekken. Je blik moet vooruit op de toekomst gericht blijven. Op het koninkrijk van God.

Afscheid nemen. Op reis gaan. Dan kunnen er heel veel nieuwe dingen op ons af komen. Maar elke dag zetten we een stap verder op onze levensreis. Wat hebben we het dikwijls moeilijk met het afscheid nemen van zaken die niet te keren zijn. Maar wat moeten we misschien ook nog van veel dingen afscheid nemen, die onze blik op het koninkrijk van God nog vertroebelen. Laten wij ons de vanmorgen gehoorde woorden van Jezus ter harte nemen en zie wat deze te betekenen hebben voor het uitzetten van de koers voor het vervolg van onze levensreis.

Amen