Preek 8 April 2012 Eerste Paasdag

Ezechïel, we volgen hem al een tijdje, profeet tegen wil en dank. Hij heeft er niet voor gekozen. Als telg uit een priestergeslacht is hij bestemd om priester te worden. Maar Jeruzalem valt, en het volk wordt in ballingschap gestuurd naar Babylon. Deportatie. Dan gebeurt er iets dat Ezechiëls leven op zijn kop zet. Hij wordt door God gegrepen. Hij heeft er zelf niet om gevraagd. Hij wordt gewelddadig door God in de kraag gegrepen. Dat is heel wat anders dan gewoon priester worden. Maar getuige van God worden, dat gun je eigenlijk niemand. Beter priester dan profeet. Want als profeet geroepen worden, dat betekent dat je de controle over je eigen leven kwijt bent, dat je meegenomen wordt naar plekken waarheen je niet wilt; dat je dingen te zien krijgt die je eigenlijk niet wilt zien.
Bijvoorbeeld een dal vol doodsbeenderen. Een knekelveld, een slagveld, een massagraf. U kent de beelden wel: Het is lente en een camera zwenkt langzaam van links naar rechts, de velden bloeien, de vogels fluiten. Maar de plek heet Normandië, Verdun, Stalingrad, Ardennen, Vietnam, Auschwitz, Bosnië, Kosovo. De camera zoemt in en registreert genadeloos de restanten van de hel die hier heeft gewoed. Wat er van mensen is overgebleven nadat ze vernield zijn door de oorlog. Mensen van vlees en bloed, jongens van 18 of 20, moeders en kinderen. Je wilt het niet zien. Als tv-kijker zap je een kanaal verder. Maar als profeet moet je. Dat is de werkelijkheid. En profeet zijn dat is getuige zijn van de waarheid. Hij moet het aangaan. Een profeet kan pas werkelijk een woord spreken dat ertoe doet, als hij het gezien heeft. Hij moet eromheen en nog een keer, door dat massagraf.
De beenderen die Ezechiël te zien krijgt zijn blijkbaar oorlogsdoden. Maar ik denk dat we er ook onze eigen doden in kunnen zien, die we in ons hart met ons meedragen, de doden die misschien niet op het slagveld maar op het sterfbed gestorven zijn, en wiens graf we gewoon kunnen bezoeken, maar die minstens net zo wreed ‘afgesnedenen’ zijn. Afgesneden van de lente, afgesneden van ons die hen zo lief hebben gehad. Of is het onze eigen dorheid die we erin herkennen. Als we ons doods voelen, afgesneden van het leven.
‘Kunnen deze beenderen herleven?’ vraagt de God van Israël aan de profeet. Profeet of niet, de vraag is absurd. Deze beenderen leven? Wij zouden zeggen: hoe kunnen we ze netjes begraven, met een gedenksteen erbij?
Ezechiëls antwoord is verrassend: ‘U Heer weet het alleen.’ Hij zegt niet in gelovige overmoed: ’ja natuurlijk’. Evenmin is hij de cynicus die zegt: ‘nee, natuurlijk niet’. Hij draagt het antwoord over aan God zelf. ‘Gij weet het’. De God die een Naam heeft op te houden, die hem zelf in zijn kraag heeft gegrepen, terwijl hij er niet om vroeg, Hij alleen zal de God kunnen zijn die ook leven schenkt als een mensenkind alleen maar dood voor ogen ziet. Ezechiël geeft het antwoord aan Hem over.
Ezechiël moet profeteren: spreekt boven zijn macht. Bidt boven zijn macht. Hij moet het hoge woord naspreken, het onmogelijke doen, n.l. het levende woord spreken tot de verdorde beenderen. Het is eigenlijk net zoiets als preken met Pasen.
Maar als hij spreekt gebeurt het onmogelijke: is er een geruis, een beweging. En de beenderen voegen zich aaneen. Ze worden zelfs bekleed met spieren, vlees en huid. Maar ze ademen nog niet. En dan lijkt het erop alsof Pasen en Pinksteren toch op één dag vallen, want de Geest, de levensadem wordt hen ingeblazen ‘vanuit de vier windstreken en ze blazen zo hard dat ze tot leven komen, een onafzienbare menigte.
Ik heb dit verhaal ooit gespeeld. Het was in 1991, ik heb het opgezocht. Een tijd geleden maar ik ben het niet vergeten.We lagen met 15 mensen op een harde koude vloer. Zo’n linoleumvloer. Stijf en koud en we voelden ons levenloos. Maar de man die maar tussen ons in bleef lopen en steeds bezielder werd en geloofde in onze opstanding en dat maar herhaalde, maakte dat we op een gegeven moment niet anders konden dan warm worden, op onze benen gaan staan en in het leven terugkeren. En we vielen elkaar in de armen van vreugde. Die ander die zo overtuigd is dat je niet voor de dood maar voor het leven bent bestemd, is in staat je in het leven terug te doen komen.
Zo leefde Jezus zelf. Mensen stonden op uit ziekte en gevangenschap in zijn nabijheid. Omdat hij in hen geloofde. Hij kon niet anders, net als Ezechiël, de waarheid blootleggen en het onmogelijke doen, het levende woord spreken tot verdorde mensen. Maar deze mens zelf was geen lang leven beschoren. Hij moest uit de weg worden geruimd. En met hem stierf het geloof van zijn vrienden.
Onder wie het geloof van Maria van Magdala. Maar zij blijft bij Jezus. Onder het kruis en bij het graf. Zij is zelfs bereid het graf binnen te gaan. Verder kun je niet gaan als mens. Zij sluit haar ogen niet voor wat er aan verschrikkelijks gebeurt. Zij loopt eromheen net als Ezechiël. Zij vlucht er niet van weg. En ook zij krijgt het levende woord te horen: haar naam ‘Maria’. Ze wordt bij name genoemd. Die ander roept haar terug in het leven, roept alles op wat in haar leefde aan hoop, geloof, liefde, verwachting. Het was niet dood, het lag heel diep verborgen, vér heen, maar komt weer tot leven. Het staat in haar op: alle vurige liefde waarmee zij liefhad, alle verwachtingen die ze koesterde, het vertrouwen waarmee ze Hem en zijn missie vertrouwde.

Dat is Pasen, dat wij mensen door de diepste diepten heengaan, maar dat het leven nog altijd diep in ons verborgen ligt en door de Ene wordt wakker geroepen.
‘Er is in het verhaal van ons leven soms een knik.
Het gaat anders dan je gedacht had:
een verlies treft je,
een vriend gaat van je heen,
je huwelijk valt uit elkaar,
contacten lopen dood.
Je eigen levensverwachting loopt vast,
je vindt geen werk of raakt het kwijt,
je komt alleen te staan.
Je moet op je oude dag je huis verlaten.
Je meest geliefde wordt dodelijk ziek.
Op de weg van je leven ligt een steen
die onverzettelijk lijkt.
Wie zal hem wegrollen?
Op diezelfde weg kun je iemand ontmoeten:
iemand spreekt je aan,
iemand tikt je op de schouders,
een woord raakt je hart.
De steen komt in beweging.
Je kijkt niet in een donker gat, maar je ziet licht.
Je voelt je uitgenodigd,
je voelt nieuwe kracht komen.
Het litteken blijft, maar de wond heelt.
Je bent opnieuw aanwezig.’

Dat is Pasen: dat mijn naam wordt geroepen, dat die ene unieke mens die ik ben, weer tot leven wordt geroepen.
Wij staan in het licht van de morgen, in de tuin die deze aarde is. De eerste dag van ons nieuwe leven ligt voor ons.
Er is een stem, een warm en diep geluid, een stem die riep en riep en roept en roept ten grave uit.