Preek 29 Januari 2012

Gemeente van Jezus Christus,

Dat de bijbel een oud boek, dat kon je vandaag wel merken in de lezingen. Het is zo ouderwets, zo uit de tijd, dat ik voordat ik de lezingen doe, er een verklaring bij moet geven anders denk je ‘waar gaat dit over’.
Eigenlijk geldt dit natuurlijk voor de hele bijbel: je moet een beetje de omgeving er van kennen, de context, het land, de cultuur, de gewoontes om te begrijpen waar het over gaat.
Als mensen de bijbel als een citatenboek gebruiken in de zin van ‘het staat er, dus is het zo’, dan vergeten ze dat vaak. Dan krijg je een geloof dat is opgebouwd uit zekerheden en een preek die zegt ‘zus en zo zit het’. Dan krijg je ook rotsvaste uitspraken over ‘God is…’of ‘Jezus heeft voor ons….’.
En dat zijn nou net de dingen waar velen van ons niet mee uit de voeten kunnen. We kunnen soms wat verlangend kijken naar kerken die nog vol zitten en waar zelf nog jongeren zijn. En ik wordt daar wel eens moe van als ik dat weer hoor, want ik heb niets aan dat geloof. Dat geloof staat te los van mijn leven. Misschien dat zij daar mee kunnen leven, ik niet. En ik denk de meesten van ons niet.
Wat kan je dan met die bijbelverhalen. Wat moet je daar nog mee.

Ik ga de drie lezingen langs, van het eerste testament, de lezing uit Deuteronomium, naar de brieflezing van Paulus om dan, u raadt het al, uit te komen bij het evangelie van Jezus Christus.

Deuteronomium is het vijfde boek van de bijbel. Het verhaal wil dat het volk Israel, aan wie dat boek ik gegeven in de woestijn bij een berg deze geboden uit de hand van God heeft gekregen.
Hun leider Mozes was de berg opgegaan en kreeg ze van God aangereikt. Tien zette hij er op steen.
De tien geboden. Zij zijn de leidraad geworden. Maar daar buiten om, zijn er nog een paar honderd geboden overgebracht waar wij, christenen, zo goed als niets mee doen. Alleen als het ons uitkomt.
Als je tegen homosexualiteit bent, dan kan je daar uit citeren en kijk je niet naar een paar verzen verderop waar staat dat je je buurman moet stenigen als hij op zondag werkt. Of dat je geen schaal- of schelpdieren mag eten want dat wordt jij gestenigd. Zo gaan mensen daar mee om.
Daar heb ik dus niets aan, het is willekeur. Wat dan wel.
Ronduit gezegd, we kunnen mog maar weinig met de meeste van die geboden. Ze zijn uit de tijd.
Dat geeft niet, we kunnen ze parkeren in de geschiedenis, in de bijbelse geschiedenis.
Maar je kan er nog wel wat van leren als je kijkt naar de geest die eruit spreekt, de mentaliteit.
In het stukje van vandaag worden allerlei soorten van toverij en waarzeggerij aan de kant geschoven. Daar moet je niet aan mee doen. Dat weten wij ook ondertussen, het meeste i s gebaseerd op bijgeloof. Ook al is er meer tussen hemel en aarde.
Ik heb een vrouw begeleid die echt helderziend was, dus ik zeg niet dat het allemaal onzin is. Zij leed daaronder. Het is niet zo eenvoudig.
Waar het om gaat is dat in het land waar Israel terecht kwam een cultuur was, een religie met allerlei elementen van waarzeggerij, tovernarij waarin mensen zich uitleveren, hun geld, hun tijd, noem maar op aan vage dingen.
Maar we kunnen dat niet hanteren, niet manipuleren, niet beheersen. En de vraag is: dient het je leven, dient het de liefde, dient het ons samenzijn. Worden we er beter van.
Je zou kunnen zeggen het is zo iets als dat je voor 1.50 per minuut naar RTL belt voor je toekomstvoorspelling en tien minuten later ophangt, 15 euro armer en een vaag verhaal rijker.

Wat zet Deuteronomium er tegenover. Je hebt er niets aan, iemand die je voorspelt hoe je leven zal verlopen. En de allerhoogste heeft er de pest aan als mensen zich zo uit handen geven. Zo hun eigen verantwoordelijkheid, hun eigen kunnen, hun eigen mogelijkheden ontkennen.
Tegenover die voorspellers stelt D de profeet.
Een profeet, iemand die in naam van de Allerhoogste spreekt. Iemand die je aanspreekt in Gods naam. Dan gaat het over je leven.
En D stelt dan meteen de vraag ‘hoe herken je een profeet’. Want een profeet die doet soms bijna dezelfde dingen als een waarzegger.
Het antwoord is: kijk naar het resultaat. Als zijn woorden niet uitkomen, dan is het geen woord van God.
Met andere woorden: een profeet is iemand die zo spreekt, dat wat hij of zij zegt ook waarheid wordt, waarheid kan worden. Werkelijkheid kan worden.
En als je kijkt in de bijbel naar de profetiën dan zie je dat daar altijd een scenario wordt neergezet waarin jij, waarin wij iets kunnen doen.
Wij zelf moeten ons leven ter hand nemen en het vormen en invullen.

Dat is het bijzondere van dat Joodse boek die bijbel. Het manipulatieve, dat mensen kunnen manipuleren met de waarheid, de werkelijkheid, de toekomst, de pretentie het te weten, die wordt daar weggehaald.
En vergis je niet: ook de pretentie in Naam van God te spreken.
Tot op de dag van vandaag wordt in naam van het geloof de mensen allerlei geboden aangepraat wat ze moeten en mogen en niet mogen, van Iran tot Jeruzalem, tot Staphorst, in naam van God.

Niet voor mij. Ik geloof, ja, maar ik moet zelf in gesprek met jullie, met de traditie, met de mensen om mij heen, bepalen wat goed is voor mijn leven, voor de gemeenschap. En zo mijn leven vorm geven. Niet met de pretentie dat ik het weet, dat ik het in Naam van God doen.
Maar dat ik het naar beste weten tracht vorm te geven aan hoe ik denk gezicht te mogen geven aan God
Verder kom ik niet.
Wat mij wordt aangereikt uit de bijbel dat is die opdracht. Om zelf mijn leven ter hand te nemen. Oog in oog met het lot, met alles wat mij kan overkomen, en de mensen die mij lief zijn. Daar is geen manipulatie mogelijk. Dat ligt niet vast, daar is de ruimte voor mij als mens om mijn eigen inbreng te hebben.
Ik vorm mijn leven mee in de stroom van het leven waar ik deel van ben.

En dat is bijzonder van het Joodse geloof. In een tijd en een wereld waarin men geloofde dat alles was voorbestemd en werd bestuurd door onzichtbare machten en krachten, kwam daar een geloof op dat sprak van de eigen inbreng en eigen verantwoordelijkheid van mensen.
Wij worden niet geleefd, wij leven.
Alleen als je je leven niet op neemt, als je de tijd dood, met doorgaan op de automaat, ja, dan wordt je geleefd.

In 1 Cor. 8, we zijn dan een paar duizend jaar verder, zie je hetzelfde. Het gaat over het eten van offervlees.
In Corinthe was een tempelcultuur, veel reizigers, veel handelaren. Veel offers. Je kocht een dier om te offeren, dikke handel natuurlijk, daar werd goed verdiend. Het dier werd geofferd, je kreeg een klein deel daarvan om op te eten.
Je zou zeggen, vette BBQ, maar nee, je offerde om de goden goed te stemmen.
Met andere woorden: je probeert dan God voor je te winnen, door een offer te brengen, te manipuleren.
Als God maar voor ons is, dan veroveren we de wereld.

‘Nee’, zegt Paulus, ‘wij geloven helemaal niet in allerlei goden’. En dan speelt hij er even mee, dan zegt hij ’er zijn een heleboel zogenaamde goden en meesters’, maar dat is niet de Ene. Die zijn niet die God met een hoofdletter.

En dan gaat hij in op dat eten van offervlees of je dat dan wel of niet mag doen. Dan zegt hij dat dat niets uitmaakt want je gelooft er niet in.
Met andere woorden, ook hier, het maakt niet uit. Het heeft geen zin om god iets af te smeken met offers of gebeden, zo werkt het niet.
God is geen automaat waar je iets ingooit en dan komt je wens uit.
Je kan god niet manipuleren.
Of breder: je kan het leven niet manipuleren.
Om het maar plat te zeggen: we kunnen God wel bidden om vrede, maar als wij het niet doen, als wij de vrede niet leven met elkaar, dan verandert er niets.
Bidden, is dus niet aan God vragen of hij het wel even wil oplossen. Als het zo was, dan was dat al lang gebeurd.
Nee, bidden is jouw verlangen, jouw zielsverlangen uitspreken voor de Allerhoogste omdat jij het tot jouw ding, tot jouw project, tot jouw taak, je roeping wilt maken om dat te realiseren.
Als wij bidden voor onze kinderen, of voor onze ouders, of voor de kerk, of voor de wereld, dan doen we dat om uit te spreken voor God en voor elkaar: wij willen daar voor gaan staan. Wij willen zoeken en vinden hoe we dat in ons leven vorm geven.

Terug naar Paulus even. Over dat offervlees. Zinloos zegt hij, stelt niets voor.
Mag je het dan eten, zo vroegen ze hem.
Wat zegt Paulus? Maakt niet uit, je gelooft er toch niet in?
Alleen als je broeder, je naaste daardoor van slag raakt, dan moet je weten wat je doet.
Het gaat dus niet om bijgeloof, maar om gezamenlijke verantwoordelijkheid. Omzien naar elkaar.
Daar gaat het om.

Je ziet in de twee verhalen, in Deuteronomium en in Corinthe een overeenkomst. En dat is, dat God, het leven, de waarheid, de werkelijkheid, ik zeg maar wat, ik weet ook niet precies wat dat is. Dat God zich niet laat manipuleren. Niet door waarzeggerij, door toverij, niet door offers.
Wij kunnen God niet manipuleren, en ook het leven niet.
We leiden aan het leven, we genieten van het leven, het overkomt ons, we kunnen het vormen, we kunnen sturen, we kunnen ons gedragen weten in de hand van God.
Maar wij hebben het leven niet in de hand. Het overkomt ons en wat wij daarin doen is van wezenlijk belang om het menswaardig te maken.

Als we de bijbel lezen is het niet om te zeggen: zus en zo zit het en dat en dat moet je dus doen.
Dan is het om met elkaar stil te staan bij wat het ons zeg voor hoe wij met elkaar en met onszelf om kunnen gaan in het leven.
Hoe kan je iets verstaan van het wonder van het leven dat ons is gegeven. En wat is dat voor een wonderlijk verhaal dat wij gedragen worden. Dat wij spreken van iets dat ons leven overstijgt. Dat wij spreken over God.
Wij tasten, wij zoeken, en dat kan alleen met respect, door te luisteren.

We komen bij Marcus. We lazen over het optreden van Jezus in Kapernaüm.
Was dat het eerste optreden van Jezus? Volgens Mattheus wel, maar we weten het niet. Matteheus heeft zijn eigen verhaal over Jezus geschreven. Het gaat ook niet om de volgorde, het gaat om de inhoud.
Wat zegt Marcus: de mensen stonden versteld omdat hij onderwees ‘als iemand met volmacht’ . Zo heeft Ousoren het vertaald. ‘Met gezag’ vertaalt het N.B..G en ook de N.B.V.
Wanneer heb je gezag. Gezag is iets anders als macht.
Een machtswoord moet altijd zichzelf overeind houden.
Met geweld, of met drang, of met dwang.

Gezag heeft iets als iets bij jou binnenkomt en je herkent het, dat je zegt ‘ja, dat klopt’, ‘zo ervaar ik dat’.
Gezag moet dus aansluiten bij hoe jij het beleeft.
Dat klinkt heel mooi, maar dat gebeurt in Iran, in Jeruzalem en in Staphorst ook.
Je gelooft, je leert te geloven wat je in jouw omgeving meekrijgt. Zo wordt je gevormd.
Dat maakt het dus zo moeilijk. Daarom ben je het nooit met elkaar eens.
En daarom zijn er zoveel geloven.
En daarom kunnen mensen ook het volkomen tegenovergesteld geloven.

We komen er niet verder mee in de zin van wat is waar, wat is waarheid.
We krijgen daarmee geen antwoord op de vraag ‘hoe zit het nu, wie is God, wat moet ik doen’.
Wij blijven met lege handen.

Alhoewel, lege handen.
Nee, een mand vol verhalen, een boek vol.
Een mens, van wie wij zeggen, van God gegeven. Met verhalen hoe mensen genezen, hoe mensen worden bevrijd.
Die eerste mens die in ons verhaal uit Marcus tegenover Jezus komt te staan schreeuwt het uit van angst ‘ben je gekomen om ons te vernietigen?’
Die mens is bezeten, bezeten van angst.
De angst is hem of haar de baas.
Zo zeer, dat de mensen in die tijd dachten dat er een boze geest in zo iemand huisde. Dat is van die tijd.
Wij zeggen ‘zo iemand is ziek’.

Als je het verhaal leest, dan zie je dat Jezus die boze geest uitdreef.
Een exorcisme, een duivelsuitdrijving.
Kan dat dan? Of was het een ziekte, of is dat hetzelfde?
Het antwoord is eenvoudig: we weten het niet. We geven er een naam aan.
Vroeger was je dan bezeten door een boze geest.
Nu zeggen we ‘je bent ziek’, of ‘je hebt een ziekte’.
En in de neurologie zeggen ze dat je chemiehuishouding in je hersenen dan niet klopt. Dan krijg je medicatie. Soms helpt dat.
In de psychologie wijzen je naar je verleden en wat daar is mis gegaan. Dan krijg je therapie, soms helpt dat.
Allemaal verhalen.
Het ware verhaal, de waarheid?

Ik zeg altijd weer ‘de waarheid ligt bij God’.
ik heb hem niet, ik hem mijn verhaal, jij het jouwe.
Waarin we proberen om
mijn geloof, jouw geloof,
mijn overtuiging, jouw overtuiging,
mijn bewogenheid, jouw bewogenheid,
mijn geraaktheid, jouw geraaktheid,
mijn verwondering, jouw verwondering,
mijn dankbaarheid, jouw dankbaarheid,
mijn zoeken, jouw zoeken,
mijn vinden, jouw vinden.

Te verbinden aan het leven.

Dat vraagt respect. Eindeloos veel respect.
Dat de ander anders denkt, bidt, leeft, voelt, gelooft, dan jij.
En dat dat altijd zo blijven zal.
Amen.