Preek 5 Februari 2012

Waar het visioen ontbreekt, verwildert het volk, is de titel van een boek van de theologe Dorothee Solle.
Wij mensen zijn bestemd om te dromen over hoe het kan zijn, over hoe het moet worden, over een rijk van vrede en gerechtigheid. Waar mensen tot hun recht komen. Over thuiskomen bij God. Een land van louter licht waar we allemaal naar op weg zijn. Om niet bij de pakken neer te gaan zitten, maar hoop te houden op betere tijden.
Daarom dromen mensen gelukkig vaak over visioenen juist als ze in gevangenschap verkeren, zoals Johannes op Patmos. Om de hoop niet te verliezen. Over zijn dromen gaat het bijbelboek Openbaringen.
Ook Ezechiël verkeert in gevangenschap. Hij is met vele anderen vanuit Jeruzalem meegevoerd naar Babel, gedeporteerd door de vijand. In het jaar 598 voor Christus kwamen de Babyloniers naar Jeruzalem en ze zetten een flink deel van de bevolking op transport. Vooral de elite. De koning en zijn familie, andere leiders, priesterfamilies. Ook de familie van Ezechiël. Vijf en twintig jaar oud was hij toen. Later werd ook de rest weggevoerd en de stad en de tempel werden verwoest maar eerst dus zo’n beetje de top. Het is de straf van God omdat het volk ver van Hem is afgedwaald en afgoden is gaan vereren. Ze zijn terug in Ur der Chaldeeën waar het allemaal begon met Abraham. Maar het volk is terug bij af, omgedraaid in de verkeerde richting.
Ezechiel is dus in Ur, diep in Irak terechtgekomen aan het Kebarkanaal. Het Kebarkanaal had men aangelegd als irrigatiesysteem om het land te laten bevloeien.
Het gevoel dat er heerste onder de mensen was niet opperbest te noemen. Men voelde zich verslagen, aan de kant gezet, uitgeschakeld. Men verlangde terug naar die goede oude tijd in Jeruzalem.
Daar kwam nog bij dat degenen die in Jeruzalem achtergebleven waren een wat triomfantelijke uitstraling hadden. Zij waren niet in ballingschap gevoerd. Zij waren niet gestraft. Zij mochten nog bij de tempel van de Heer blijven. God was met hen en duidelijk niet met de ballingen. Het weggevoerde volk was verwilderd, het visioen weg.
E. is waarschijnlijk 30 jaar oud, er wordt over 30 jaar hier gesproken, de leeftijd waarop hij priester mag worden, want hij komt dus uit een priestergeslacht, maar hij is ver weg van de tempel in Jeruzalem. Hij lijkt zijn roeping misgelopen.

Maar dan gebeurt er iets. De hemel gaat open. En hij ziet gezichten, visioenen van God.
Waar komen visioenen vandaan, zegt Nico ter Linden? Dalen ze uit de hoge hemel neer of stijgen ze op uit de diepten van de eigen ziel? Allebei. Zij wellen natuurlijk op uit de diepten van de eigen ziel maar door de ontvanger worden ze als komend van God ervaren. De hand van de Heer was op mij, zegt E.

Het visioen wat nu volgt is best lastig te begrijpen. Daarom zeggen Joodse geleerden dat je dit pas mag lezen als je 30 jaar bent. Eerder kun je het niet begrijpen. Mythische wezens komen er in voor, half dier, half mens. Ze staan ver van ons af, hoewel ik ook moest denken aan de populaire films als Harry Potter, Lord of the Rings en zo, waarin zulk soort figuren voorkomen. Blijkbaar spreken dit soort mythische voorstellingen mensen ook altijd aan.
Zijn ze toch ergens herkenbaar en liggen zulk soort beelden ook in onze ziel verankerd.

Maar eerst steekt er een stormwind op, komend uit het Noorden, een grote gloeiende wolkenmassa, een vuur van bliksemflitsen. Daar middenin iets dat glanst als wit goud.
In het midden van het vuur iets wat leek op vier wezens. Ze leken op mensen maar ze hadden vier gezichten en vier vleugels. Naar alle vier windrichtingen, de vier hoeken van de aarde. Daar verwijst het getal vier naar. Vier is het getal van orde en harmonie, het paradijs heeft vier hoeken. Je hebt de vier elementen: aarde, lucht, water en vuur.
Welke kant de wezens dus ook uit willen, het is altijd voor een van deze vier rechtdoor. Ze hoeven zich niet om te draaien. Ook hebben ze vier handen en staan ze opgesteld in een vierkant, op vier hoeken. Voor de toeschouwer: van welke kant je het ook bekijkt, het levert altijd hetzelfde beeld op. Hun benen zijn recht en hun voeten lijken op de hoeven van een kalf. Kalfshoeven zijn nog roze en zacht. Hun weg is recht zou je kunnen zeggen, ze leven rechtvaardig, blijven op de rechte weg. Ze draaien nooit om. De wezens flitsen heen en weer als bliksemstralen. Er gaat vuur tussen hen heen en weer. De vonken vliegen er vanaf. Het woord dat hier wordt gebruikt, betekent ook wel elektriciteit.

Er zijn ook vier dieren, of eigenlijk drie.: de leeuw die naar kracht verwijst, de adelaar is snel en heeft een scherpe blik, de stier verwijst naar vruchtbaarheid en de mens naar de geest, het denkvermogen. De vier dieren worden ook verbonden aan de vier winden met hun gebieden en de vier seizoenen. Ze zijn ook de vier tekens van de dierenriem: stier, leeuw, schorpioen en waterman. De vier dieren komen ook terug in het visioen uit Openbaring. Schorpioen staat voor de adelaar en waterman voor de mens. In de joodse traditie werden de vier dieren tot cherubs, troonengelen van God. De vier evangelisten werden in de eerste eeuwen na Christus geassocieerd met deze cherubs.
Het waren Ireneus van Lyon († 202; feest 28 juni) en Hippolytus van Rome († 235; feest 13 augustus), die bedachten, dat deze vier diersymbolen op de evangelisten toegepast konden worden. Zo werd:
Matteus vereenzelvigd met de gevleugelde mens
– naar verluidt, omdat zijn evangelie begint met de menselijke stamboom van Jezus Markus met de gevleugelde leeuw
– woestijndier, omdat zijn evangelie begint met Johannes de Doper in de woestijn, en omdat er van Jezus gezegd wordt dat hij in de woestijn verbleef temidden van de wilde dieren
Lukas met het gevleugelde rund
– een offerdier, dat rijmt op het offer dat Zacharias in de tempel brengt aan het begin van het Lukasevangelie
Johannes met de gevleugelde arend of adelaar
– omdat in zijn evangelie de woorden een hoge vlucht nemen en hij met scherpe blik Gods geheimen doorziet.
Tot zover toch wat uitleg over de symboliek in dit verhaal.

Wat is de boodschap, wat kunnen we hiermee?
God verschijnt aan E. in een uitzichtloze situatie. De heerlijkheid en aanwezigheid van God komt in al zijn glorie op E. af. In wolk en vuur laat God zich zien in een periode waarin het volk zoekend is en God verder weg lijkt dan ooit. En tegelijkertijd wordt hier de mens als kroon van de schepping groot gemaakt. Als een stier, een adelaar, een leeuw, een engel. Bovenmenselijke gaven worden aan de mens toegeschreven. Vleugels, zodat ze kunnen opstijgen en boven zichzelf worden uitgetild. Er kan iets nieuws beginnen.
Het volk in Babel is niet ten dode opgeschreven. Het volk zal in beweging komen.
Met Jezus is iets nieuws begonnen. Ook hij had een visioen, zag de hemel opengaan en mensen kwamen in beweging. Mensen werden genezen van ziekte en onreine/zieke gedachten. Ook hij trok verder, zegt Marcus, draait zich niet om, maar gaat vooruit.
Misschien hebben wij niet van die visioenen of zien de hemel opengaan.
Maar dat geeft niet. Als we maar niet de moed verliezen, het geloof in een nieuw begin.
Als we maar dromen blijven dromen en vergezichten blijven zien.

1. Wij mensen blijven dromen dromen, en vergezichten zien,
een nieuwe aarde die gaat komen, te vinden al misschien.
Wij dromen van de mensenrechten, die ieder mens dan heeft,
niet langer tegen onrecht vechten, daar ’t recht van liefde leeft.

2. Verdwenen zijn de dictaturen, gevangenschap en pijn,
verbanning en verdriet verduren, God zelf zal bij ons zijn.
Wie in die dromen durft geloven, voelt zelf verandering:
vertwijfeling en wanhoop doven, in blijde aarzeling.

3. En licht en sterk, vol zachte krachten, die onverzet’lijk zijn,
bevechten wij de kwade machten, die niet te tellen zijn.
Waar mensen putten uit de bronnen, van droom als werk’lijkheid,
dáár is Gods toekomst al begonnen, in onze levenstijd.