Preek 31 December 2011

Overwegingen bij gez. 398, oudejaarsavond 2011

Wie was Dietrich Bonhoeffer, de auteur van het lied? Hij stamde uit een oer-Duits protestants geslacht, van artsen en predikanten, en werd zelf ook predikant. Zijn vader was hoogleraar in de neurologie, zijn moeder was onderwijzeres. Het gezin telde acht kinderen. Over dat gezin schreef Bonhoeffer: ‘Een van de sterkste dingen in onze opvoeding vond ik dat vader en moeder ons zoveel hindernissen hebben laten nemen, voordat we zelf mochten bepalen in welke richting we als mens gingen.’ Veel hindernissen moeten nemen (het zal vooral werken als je ook veel geborgenheid hebt ervaren), en zo leren ontdekken waar het om gaat, en waar het niet om gaat, wat van betekenis is en wat niet, het hielp hem uiteindelijk om zijn roeping als mens te vinden. Twee bijbelverzen, die zijn moeder opschreef toen hun oudere zoon Walter in de eerste wereldoorlog op achttienjarige leeftijd om het leven kwam, schreef ze ook in het belijdenisgeschenk, een bijbel, die Bonhoeffer van haar kreeg, woorden die hem zijn leven lang vergezelden, deze woorden: ‘De letter doodt, maar de Geest maakt levend ‘, en ‘Daarom is de liefde de vervulling der wet’, De dood van zijn broer raakte hem diep, en heeft ook zijn beslissing beinvloed om later theologie te gaan studeren. Maar die twee verzen hadden voor de hele familie Bonhoeffer betekenis, zoals bleek uit hun gemeenschappelijk houding tegenover het nationaal-socialisme. Uiteindelijk zouden twee zonen en twee schoonzonen door de Gestapo worden vermoord. Volgens de wet was verzet illegaal, maar de tegenstand van het gezin stond in het teken van liefde jegens hen die zo’n kwaad onrecht moesten lijden. De letter doodt, maar de Geest maakt levend. Daarom is liefde der vervulling der wet.
Bonhoeffer: als hij dit lied schrijft, is hij nog maar 38 jaar. Ondanks dat hij zo jong is, is hij dan al een bekend man. Hij was doctor in de theologie, predikant geweest van Duitse gemeenten in Barcelona en Londen, studentenpredikant in Duitsland, mede-opleider van theologisch studenten. Voor de oecumenische beweging had hij vele reizen gemaakt.Hij was iemand, veelbelovend, een grote toekomst voor zich; iemand van wie de kerk heel wat te verwachten had. Maar zijn keuze voor de Geest brengt hem in de gevangenis.

We zingen gez. 398, 1, 2

Bonhoeffer schreef dit lied rond de kerstdagen van 1944 in de gevangenis, en stuurde het mee bij een brief aan zijn jarige moeder en aan zijn verloofde. Het is zijn laatste geloofsgetuigenis, en ook een heel menselijk getuigenis. De ‘goede machten’ waar het lied mee begint en mee eindigt, daarmee bedoelt hij de geborgenheid en de warmte die hij van thuis uit mee had gekregen, en die de basis waren gaan vormen van zijn geloven en van zijn leven, en die hem de overtuiging en de moed gaven zijn leven ook in Gods hand te kunnen leggen.
Het is dus geen specifiek oudjaarslied; het is een familielied. Bonhoeffer zat in de gevangenis wegens beschuldiging van hulp aan Joden; de aanklacht was hoogverraad. In april 1945 is hij doodgeschoten.
In de begeleidende brief bij het lied schrijft hij waar hij dan aan denkt: aan een lied uit zijn kindertijd. Zoals dat vaak mensen overkomt die in een beslissende fase in hun leven zijn gekomen. Plotseling zingt een lied uit de kindertijd je toe. Bonhoeffer schrijft over het kinderliedje dat zijn moeder ’s avonds met hem zong: Avonds als ik slapen ga, volgens mij 14 engeltjes na. Twee aan mijn hoofdeind, twee aan mijn voeteneind, twee aan mijn linkerzij, twee aan mijn rechterzij, twee die me toedekken, twee die me wekken, twee die me wijzen naar ’s hemels paradijzen.’ Een lied van geloof en geborgenheid. Bonhoeffer schrijft dan ook aan zijn verloofde:
‘Jullie zijn nu die engelen, jij, mijn ouders, jullie allemaal, vrienden, studenten, jullie zijn altijd aanwezig voor mij. Jullie gebeden, goede gedachten, bijbelwoorden, allengs vergeten gesprekken, muziekstukken en boeken krijgen leven en werkelijkheid als nooit tevoren. Het is een groot en onzichtbaar rijk, waarin ik leef en aan de werkelijkheid waarvan ik niet twijfel!’

Dat herkende zijn verloofde, zij had hem het jaar ervoor met Kerst geschreven: ‘Weet je dat juist in de nacht vaak stemmen hoorbaar worden die overdag zwijgen de koele nachtwind en het geheim van het donker kan de harten openen en brengt krachten tevoorschijn die onbegrijpelijk maar goed en troostend zijn. En nog iets: weet je dat de doden de nacht zoeken om met de levenden te spreken.
Weet je dat ze werkelijk engelen zijn geworden, dat dit helemaal geen kindergeloof is. Kijk, daarom heeft Christus ook de nacht uitgekozen om tot ons te komen met zijn engelen!’
Diezelfde engelen zijn bij hem in de cel. Het is net, aldus Bonhoeffer, alsof in de omstandigheden waarin ik nu ben, de ziel organen ontwikkelt waardoor ik een onzichtbaar rijk van goede machten kan ervaren. Aan de realiteit van dat grote rijk kan niet worden getwijfeld, zo zeker is het dat het er is. En hij wenst dat niet alleen kinderen over de engelen horen en hen ervaren, maar dat ook volwassenen de realiteit van de engelen beleven.

We zingen vers 3 en 4

Pijn kan je hart vernielen en God kan verborgen zijn. Het lied laat zien hoe moeilijk Bonhoeffer het heeft gehad met zijn lot, dat ook zijn verloofde, familie en vrienden raakt. Die oermenselijke ervaring, daarmee heeft Bonhoeffer geworsteld. Hij spreekt van een kelk uit Gods hand die gevuld is tot de hoogste rand en zwaar is van bitter leed. Als God er is, waarom dan het lijden, de haat, het geweld, de pijn, ziekte, dood. Zijn bekendste bundel heet ‘Verzet en overgave’. Vanuit zijn roepen tot God, die vaak zo verborgen lijkt, komt hij tot overgave. Als het dan zo is dat die beker moet worden leeggedronken, dan wil hij die kelk zonder beven aannemen uit de goede en geliefde hand van God. Hij weet dat de goede machten zullen winnen. Dat Gods liefde zal zegevieren. Maar ook dat de weg van geloof niet de gemakkelijkste weg is.

Bekend is ook dit gedicht van Bonhoeffer. Wie ben ik? Wie ben ik? Ze zeggen me vaak: je treedt uit je cel rustig blij en zeker als een burchtheer uit zijn slot. Wie ben ik? Ze zeggen me vaak: je spreekt met je bewakers vrij rechtuit en vriendelijk als was je hun heer. Wie ben ik? Ze zeggen me ook: je draagt je donkere dagen evenwichtig, glimlachend, trots, als iemand die gewend is te overwinnen. Ben ik werkelijk wat anderen van mij zeggen? Of ben ik alleen wat ik weet van mijzelf: onrustig, vol heimwee, ziek als een gekooide vogel snakkend naar lucht, als werd ik gewurgd, hongerend naar kleuren, naar bloemen en vogels, dorstend naar een woord, naar een mens dichtbij, trillend van woede om willekeur, om de geringste krenking opgejaagd wachtend op iets groots machteloos bang om vrienden in den vreemde, moe en leeg om te bidden, te danken, te werken, murw en bereid om van alles afscheid te nemen? Wie ben ik? De een of de ander? Ben ik nu de een en morgen de ander? Ben ik beiden tegelijk? Wie ben ik? Ben ik de speelbal van mijn eenzaam vragen? Wie ik ook ben, U kent mij, ik ben van U mijn God.
Bonhoeffer heeft zich gesterkt gevoeld door Jezus zelf. Was hij het niet die in angst en aanvechting bad: ‘laat deze beker aan mij voorbij gaan’. Dat moet Bonhoefer getroost hebben. Hij weet wat ik voel! Hij wil net als Jezus trouw blijven aan God, als het moet ten dode toe.
Dat is zijn navolging van Christus. In het herdenken van wat hem is overkomen, wat hij verbindt aan het leven en sterven van Christus, is er toch vreugde en is zijn leven geheel van God geworden.

Kaarsengebed
Ik ontsteek een licht voor alle leven dat ons ontglipt, door verval, door eenzaamheid, omdat het beschadigd is, of alle zin verloor: dat gij het zult blijven kennen.
Ik ontsteek een licht voor wie het te kwaad kregen met het donker, aan de zijkant van de weg, voor wie gekleineerd worden door de armoede, door de allesbeheersende vraag naar het dagelijks brood: dat wij hun leven willen delen, want in hun ogen zijt Gijzelf te lezen.
Ik ontsteek een licht voor wie zich vertillen aan het leven, zwaar zijn van verdriet: dat wij hun namen willen kennen, hun last willen dragen. Voor wie aangeraakt zijn door de dood, besmet met hopeloosheid, dat wij hen niet van ons stoten door onze eigen overlevingsdrang.
Ik ontsteek een licht voor wie om hulp durven vragen, zichzelf durven laten zien in hun hulpeloosheid. Dat zij gehoord worden en nooit misbruikt. Voor wie hulp bieden, voor wie het dagwerk is heil te blijven zien in mensen, ook als zij afgeschreven heten: dat zij in hun geloof in mensen zich aan U mogen spiegelen.
Ik ontsteek een licht voor elkaar en voor onszelf: dat wij instrument zijn van uw toegewijde aandacht, van uw allerlaatste woord dat ontferming luidt.

We zingen vers 5 en 6

Het laatste couplet luidt:
In goede machten liefderijk geborgen
verwachten wij getroost wat komen mag.
God is met ons des avonds en des morgens
is zeker met ons elke nieuwe dag.
Bonhoeffer troost, bemoedigt zichzelf en anderen en prijst God vanuit zijn cel. Het besef van de omstandigheden waarin Bonhoeffer verkeerde, maken dat het lied indruk maakt. De dichter is een ervaringsdeskundige. Hij weet waarover hij het heeft; hij is te vertrouwen.Want van de donkere machten van het Duitse derde rijk wist Bonhoeffer meer dan genoeg. Maar in de kelder van de gevangenis in Berlijn schreef hij dit gedicht over de goede machten van dat andere rijk, het rijk van Christus. Het klinkt als een psalm in de nacht, zoals Paulus zong in de kerker van Filippi. Niet dat het één juichend lied is. Verre van dat. Er kan van alles op ons afkomen: donkere machten van pijn en leed, van diepe eenzaamheid en nachten zonder uitzicht.Tegelijkertijd is er een hunkeren naar vrede en vreugde, naar het licht dat schijnt in het donker en naar het loflied dat allerwegen opstijgt. Naar dit alles verlangde Bonhoeffer maar hij leefde ook in het vertrouwen dat het komen zou en dat het er al was. Hij wist dat Gods kaarsen branden in onze duisternis. Zo is Bonhoeffer de laatste maanden van zijn leven ingegaan. Zo mogen wij getroost verwachten wat het komende jaar ons brengen zal. Het licht zal overwinnen. God is zeker met ons elke nieuwe dag.

We zingen vers 7