Preek 20 November 2011

Preek over Matt. 25, 31-46

De tekst van vandaag wil eigenlijk zeggen: het laatste dat wezenlijk telt is de naaste.Wat er uiteindelijk toe doet is naaste zijn. Het gaat hier niet eens meer om christelijk geloof, om de vraag of God bestaat of zoiets, maar om het doen van werken van barmhartigheid.
Jezus identificeert zich hier volledig met de minste der mensen.
Zoals een christelijk volkslied uit Bolivia zegt:
Een klap in het gelaat van de uitgebuite boer, in het gelaat van de jonge werkloze, in het gelaat van het hongerig kind, in het gelaat van de onderbetaalde mijnwerker, in het gelaat van de ontslagen arbeider, in het gelaat van de weggedrukte Indio, is een klap in het gelaat van de Heer.

U kent misschien ook wel het mooie kerstverhaal van Tolstoi, over vadertje Panov.
De oude schoenmaker die kerstavond alleen is, omdat zijn vrouw is gestorven. In een droom hoort hij dat Jezus bij hem op bezoek zal komen. En vadertje Panov gaat op de uitkijk staan.
Vol verwachting klopt zijn hart. Er komt een verkleumde straatveger langs, die koffie krijgt van hem.
Dan ziet hij een jonge vrouw met een baby op haar armen, ze ziet er mager en vermoeid uit en hij nodigt haar binnen. Maar als ze weg zijn en het begint te schemeren, is Jezus nog niet geweest. Vadertje Panov is bedroefd. Als hij in slaap dommelt, hoort hij weer een stem: ‘Heb je me niet gezien, vadertje Panov?’
‘Wie ben je?’ riep de oude schoenmaker?’
De stem zei: ‘Ik had honger en jij gaf me te eten, ik had dorst en jij gaf me te drinken, ik was koud en jij liet me binnen. Wat jij vandaag hebt gegeven aan hulp en steun, dat heb je aan mij gegeven!’
Jezus was wel bij hem op bezoek gekomen, maar hij had hem aanvankelijk niet herkend.

Het christelijk geloof is humaniteit van de bovenste plank.
God gebeurt waar wij zijn handen zijn.

In 2009 lanceerde de Engelse schrijfster Karen Armstrong het Charter for Compassion, het handvest van mededogen.
Compassie is het vermogen zich te verplaatsen in de ander, het vermogen in de schoenen van de ander te gaan staan, vanuit een diep besef van gelijkheid. Wat de ander overkomt, raakt mij ook, alsof het mij overkomt.
Het gaat om zelf terug te treden uit het middelpunt van onze wereld en een ander voor het voetlicht te plaatsen, en om recht te doen aan de onschendbare heiligheid van ieder mens en een ieder, zonder enige uitzondering, te behandelen met volstrekte waardigheid, billijkheid en respect.
Dit is de kern van alle religies en wereldbeschouwingen, het verbindt ons met iedereen.
Een mens weet dat als het op de laatste dingen aankomt, waarover het vandaag gaat, op de laatste zondag van het kerkelijk jaar als wij onze doden herdenken. Wat is uiteindelijk belangrijk, als je met de laatste dingen wordt geconfronteerd, met het einde van het leven? Dat je elkaar nodig hebt op die kwetsbare momenten van het leven. Dat je zelf terugtreedt uit het middelpunt van je eigen wereld, als je kijkt in het gelaat van de ander die ziek is, sterft.

Aan deze bijbeltekst zijn de zogenaamde zeven werken van barmhartigheid ontleend. Of eigenlijk zes.
De hongerigen spijzen, dorstigen laven, naakten kleden, vreemdelingen herbergen, zieken bezoeken, gevangenen bezoeken en als zevende de doden begraven. De laatste is later, in de Middeleeuwen, toegevoegd op grond van het apocriefe boekje Tobit. In de Middeleeuwen waren veel epidemieën en was het begraven van doden gevaarlijk, maar wel belangrijk.
Tobit gaat over een godvrezend en rechtvaardig man, geboren in Galilea maar weggevoerd als balling naar Nineve in Assur. Daar in de ballingschap blijft hij trouw aan God en zijn Wet, hoewel er geen spoor van een tempel of synagoge meer te ontdekken valt. In het tweede hoofdstuk wordt verteld hoe Tobit met gevaar voor eigen leven het lichaam van een van zijn volksgenoten, die gewurgd op straat dood ligt, in veiligheid brengt en na het ondergaan van de zon begraaft. Zo is Tobit in de vroeg-christelijke traditie het voorbeeld van een barmhartige geworden, en werd het begraven van een dode het zevende werk van barmhartigheid.

Vanwege deze laatste zondag van het kerkelijk jaar, waarop wij onze dierbare overledenen gedenken, wil ik hier wat verder op ingaan. Op het begraven van de doden, op de confrontatie met de dood.
De dode doet degenen die achterblijven hun eigen leven beschouwen. Een dode doet mij naar mezelf kijken op een confronterende wijze. Oog in oog met het einde van het leven is er geen schone schijn meer op te houden, noch bij de dode noch bij de levenden die om haar of hem heen staan. In die zin bewijst de dode ‘de beste dienst’ aan ons die hem of haar begraven. Wij worden immers uitgenodigd – misschien moeten we eerder zeggen: uitgedaagd – onszelf de vraag te stellen: wie ben ik, waar ga ik voor in mijn leven? Een dode doet ons beseffen om welke pietluttigheden wij ons bezorgd maken, hoe blind wij zijn voor wat er om ons heen gebeurt verder dan onze neus lang is.
Ja, de dood doet ons beseffen wat het mysterie is dat leven heet. Maar misschien is het belangrijkste waar de dood ons van bewust maakt, het feit dat wij ons leven gekregen hebben. Niemand van ons heeft het besluit genomen om aan haar of zijn leven te beginnen. Het is ons overkomen. Wij hebben ons leven ontvangen: zomaar, gratis en voor niks. Wij leven, met alles wat we hebben gewild, vanuit een gunnende liefde die onze logica ver te boven gaat en die we dan maar ‘van God’ noemen.
Zieken bezoeken, doden begraven, werken van barmhartigheid doen, het betekent zeker een confrontatie. Confrontatie met de kwetsbaarheid van het leven en met je eigen kwetsbaarheid. Dat kan moeilijk zijn en pijnlijk, dat wil je misschien ontlopen. En toch ligt daar het geheim van het leven.
In het delen van kwetsbaarheid, iets kostbaarders is er niet.
Dan kun je ook Jezus ontmoeten in de ander die hongert, dorst, ziek is, naakt, in de gevangenis, de mens die stervend is. Als je het aangaat.
En als je barmhartigheid betracht, ontdek je dat je er minstens zoveel voor terugkrijgt. Dat het bevrijdend is uit het middelpunt van je eigen wereld te stappen. Vaak zeggen mensen tegen mij: wat heb je een moeilijk beroep, met ziekte en dood geconfronteerd worden. Ja, dat is soms moeilijk en zwaar, maar het is ook ontzettend mooi en dankbaar. En ik leer er heel veel van, hoe iemand in staat is zijn ziekte waardig te dragen en zich kan overgeven aan de dood. Zulke mensen zijn voorbeelden voor mij.
Deze preek is dus een oproep om compassie en barmhartigheid tot het allerbelangrijkste van je leven te maken. Dat is God dienen, de ander en ook jezelf.
Vandaag wil ook een stukje barmhartigheid zijn. Wij zijn onze doden niet vergeten. Wij noemen hun naam en zetten hen in het licht van God.
Bij hem zijn zij geborgen. En wij ook. Dat zeggen wij tegen elkaar en wij willen in verbondenheid bij elkaar zijn. Zodat we weten dat we niet alleen staan als we rouwen om een geliefde. Dat wij hetzelfde lot delen in dit broze bestaan en dat God de Barmhartige bij ons is, ons behoedt en draagt op al onze wegen.