Preek 2 Oktober 2011

de onderstaande tekst wijkt sterk af van de overdenking zoals deze is gehouden in de kerk

Gemeente van Jezus Christus

Het verhaal van de 2 zonen waarvan de ene tegen zijn vader zegt ‘ik zal het doen’, maar niet gaat en de ander zegt ‘nee’, maar wel gaat. heeft veel meer consequenties dat we soms beseffen.
Natuurlijk zijn we er snel bij om te zeggen, je moet staan voor wat je zegt.
Je moet de moed vatten om eerlijk te zijn, en te staan voor je eigen waarheid, waar je zelf in gelooft

Maar, dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Heel veel mensen die spelen op de één of andere manier toneel.
Soms moet je wel, op je werk, vriendelijk, luisterend. Soms als iemand zit te zeuren. Je buurvrouw, je zwager, degene die naast je zit in de kerkbank.
Maar vaak is het ook een levenshouding geworden.
We houden het vriendelijke en oppervlakkig met elkaar. We spelen mooi weer.
We gaan mee met de grote stroom. Gewoon uit gewoonte.

Als je met mensen verder spreekt, dan blijkt dat er heel veel mensen zijn die het allemaal helemaal niet zo precies weten.
En dan gaat het over heel veel dingen.
Het kan gaan over geloven. Dat je eigenlijk echt niet weet wat je nu wel zou moeten geloven. De meeste mensen hebben helemaal niet zo’n helder beeld van God.

Maar ook in relaties. Mensen kunnen jaren lang samenleven met een partner met een gevoel van ‘is dit het nu’. Blijkbaar is dit het en moet ik het er maar mee doen. Iedereen doet het toch. Praten zonder een echt luisterend oor te verwachten. Vrijen zonder intimiteit. Op bezoek zonder werkelijke ontmoeting.
Terwijl aan de buitenkant alles lijkt zoals het moet, verkommer je van binnen.

Het lijkt zo makkelijk om te zeggen je moet staan voor wie je bent. Maar dat is het niet.

Als Jezus dat verhaal vertelt van die twee zonen, en op de vraag van de vader de één zegt, ‘ja pa ik zal het doen’, maar het niet doet, en de ander ¬zegt, ik heb geen zin, maar het later toch doet.
Dan geeft dat iets van die moeilijkheid aan.
Het is niet simpel zo dat de één huichelachtig is, en de ander niet.
Het is veel vaker een gevecht. Misschien wel zonder dat je het zelf door hebt.
Je wilt wel, maar je kan niet, iets houdt je tegen.

Je ziet het vaak, juist vaak tussen ouders en kinderen.
Je houdt van je moeder, van je vader en tegelijkertijd zit er wat tussen waardoor je niet echt hartelijk kan zijn. Altijd zit er een stukje onvermogen, een remming.
Zo veel mensen lijden aan de onmacht om werkelijk van hart tot hart contact te maken.
Als kind wil je in alle liefde liefde geven aan je ouders. Maar als je het gevoel hebt dat het wordt verlangd, geeist, dat het nooit genoeg is, dan gaat de rem er op.
Meestribbelen noem ik dat, je gaat wel, maar je verzet je toch.
Of misschien zelfs dat niet, maar weet je niet waarom, is het uit gewoonte dat je niet open vertelt aan elkaar.
Dat is de zoon die zegt, ik zal het doen, maar niet gaat.
Het is niet meteen onwil, het het is maar al te vaak onmacht.
Hoe dat groeit?
Eigenlijlk gaat dat vanzelf.

Ik heb thuis een prachtig filmpje van internet. ‘Signs’ heet het. (tekens)
Het gaat over een jonge man, vroeg in de twintig die elke dag naar kantoor gaat. Trein, roltrap, door de mensen. Met een schuin oog kijkt haar naar een mooie vrouw. Kantoor. Papier, cijfers, kopiëren. In de vergadering doet hij mee, glimlacht als de ander lachen, maar van binnen voelt hij zich alleen.
Dan gebeurt het, aan de overkant vanuit zijn kantoorraam ziet hij een jonge vrouw aan het werk. Ze gaan naar elkaar seinen. En zo ontdooit hij, ontwaakt hij. Er gebeurt iets. Leven. Hij ontdooit als uit een winterslaap.

Twee verlangende mensen die elkaar vinden, maar daarin ook zichzelf.
De vanzelfsprekende sleur blijkt helemaal niet zo vanzelfsprekend meer te zijn.
Blijkbaar kan het anders. Maar je moet eerst wakker worden.

Veel vaker is het dat: je moet eerste je zelf vinden in het leven.
Dat is het gevecht wat je ziet bij jongeren.
Waar ouderen zo vaak moeite mee hebben bij jongeren dat is juist daardoor.
Omdat jongeren af moeten tasten, door te botsen, door de weg kwijt te raken, door nee te zeggen waar je ja verwacht. Je moet eerst jezelf vinden.
Vaak lukt dat maar ten dele.
Weet je het zelf ook niet precies wat je wilt, wat je kan, wat je mag verlangen.
Je kan jezelf kwijt zijn zonder dat je het weet. Je kan jezelf verliezen zonder dat je het door hebt. Je kan vast zitten in patronen zonder te weten waarom.
Je zegt ja, maar van binnen klinkt er nee. Maar soms hoor je het niet eens.

Wij leven niet in kleine stukjes. Wij zijn één geheel.
Als je vanzelfsprekend de dingen aanneemt in het dagelijkse leven dat dringt dat overal in door.
In de manier waarop je met jezelf omgaat, met anderen, hoe je denkt over jezelf, over anderen. Hoe je gelooft.
We zingen en we bidden, en we kunnen als vanzelfsprekend ‘God’ zeggen.
En tegelijkertijd toch het gevoel hebben dat we het niet weten, dat we eigenlijk steeds verder wegdrijven van de vanzelfsprekendheid.

Sommige mensen hebben dat opgelost door heel stellig te weten wat ze geloven.
Dat kan, als het je houvast geeft. Ik denk dat dat juist de zekerheid is waar Jezus enigszins alergisch op reageert: mensen die het zo zeker weten en dat ook duidelijk willen maken aan anderen. Dat is de huichelachtigheid.
Want wat je zeker weet, dat hoef je niet duidelijk te maken aan anderen. Wie dat wel doet, wil de ander blijkbaar wat opleggen. En de kerk heeft dat maar al te vaak gedaan.
Soms als ik mensen spreek en ze vragen wat voor werk ik doe en ik vertel dan dat ik dominee ben dan krijg je die verhalen. Over mensen die voorin de kerk zitten maar door de week. Je kent ze wel die verhalen.

We kunnen spreken over God terwijl we vervreemden van onszelf.
Hoe kan dat?
In Jezus’ ogen is dat verraad overal te zien.
Wil voor Jezus iets met God te maken hebben, dan is, denk ik, er voor hem maar één echte maatstaf, één echt criterium:
? Spreek je van binnenuit, of praat je anderen na
? Spreek je vanuit jouw zekerheid, hoe je de zaken ziet en op een rijtje hebt, en die aan de ander oplegt, of spreek je om de ander te willen ontmoeten.
? In hoeverre komt wat je zegt, wat je denkt, wat je gelooft, overeen met hoe je daadwerkelijk leeft en hoe je je voelt, innerlijk?
? En zoals je leeft wat betekent dat voor anderen? Straal je warmte uit.
? Of laat ik het zo zeggen: wat straal jij uit in het contact met andere mensen.

Datzelfde geldt natuurlijk naar je kinderen toe.
Wat je ze meegeeft, is niet in de eerste plaats woorden en overtuigingen. Maar dat is jouw houding, jouw levenshouding.
Alleen het lastige is dat doe je niet zozeer bewust, dat gebeurt eigenlijk in het alledaagse.
Jouw binnenkant, hoe je omgaat met jezelf, met je kinderen, met de mensen, dat is voelbaar voor de ander. Ook al kunnen we er niet precies de vinger opleggen.
En die binnenkant, jouw levenshouding die draag je over. Straal je uit.
En het vormt je zelf en je relaties.

In gesprek met Edwig hadden we het ook verschillende collega’s op je werk. Hoeveel gescheiden mensen daar zitten in de top van het bedrijf.
Dat is niet om het te veroordelen, maar dat geeft de tragiek aan.
Iedere scheiding is voor de mensen een diep trieste verdrietige en eenzame zaak.
Vergis je niet.
Het is de onmacht om elkaar te vinden, elkaar kwijt te raken.
Te weinig bij machte zijn geweest om… nou zeg het maar.

Leven is niet eenvoudig.
Bij jezelf blijven, eerlijk zijn, dat is ook niet eenvoudig.

Huichelaars is een ander slag, die haal je er zo uit. Dat zijn de mensen die wel zeggen dat je …. en dan komt het. Maar daar zelf toch wel erg makkelijk mee om gaan. Die zonder terughoudendheid roddelen, zonder veel moeite meedoen om de zwakste van het stel, op het werk bij het voetbal of waar dan ook, nog eens extra in de hoek te zetten.
Als je huichelt, dan moet je de moed vatten om je eigen waarheid onder ogen te zien, je eigen waarheid te geloven. Je bent immers een schepsel van God.

Wat Jezus voor ogen had en wat hij voorstond,
was dat mensen met oog en hart openstaan voor wat in een ander,
– en als het even kan ook in jezelf – in beweging is.
Die hele simpele vragen:
HÉ, HOE IS HET MET JOU
ZEGT GOD JE NOG WAT
HEB JE NOG VREUGDE IN JE LEVEN
OF SNEEUW JE ONDER, in de drukte, de angst of de onzekerheid er niet bij te horen.

Als je praat over God, denkt over God, bidt met God. Wat staat er dan op het spel. Of is het altijd weer met een achterdeurtje van vrijblijvendheid.
Waar je jezelf in de steek laat. En onderduik in de luxe, de hobby’s, de bezigheden. En je werkelijke vraag naar de zin van het leven verdwijnt.

Zoveel mensen zijn afgehaakt in de kerk,
omdat God alleen nog maar betekende OORDEEL, GELOVEN EN NIET TWIJFELEN,
JE SCHULDIG MOETEN VOELEN.
Mensen lopen weg bij de kerk, omdat ze niet kunnen geloven dat ze alleen maar minderwaardig zijn. Dat ze geen eigen mening mogen hebben.
Er is zo’n reclamecampagne geweest van www.atheismecampagne

Die slaat in mijn ogen de plank zo volledig mis. Ik ben niet kerkelijk opgevoed en ben pas begonnen met denken toen ik ging zoeken of God mij wat te zeggen had.
Maar het zegt wel welk beeld er heerst over geloven: valse troost, je hoeft niet te denken, je mag niet genieten.
Compleet tegengesteld aan hoe ik er het ervaar.

Voor mij is het geloof juist een tegengif tegen het opgefokte – en dat bedoel ik letterlijk- tegen het opgefokte idee van altijd maar moeten presteren, je zelf moeten bewijzen. Een maatschappij waarin we meer en meer ons welzijn inleveren voor nog meer goederen, nog meer rijkdom. En vooral mee moeten doen.
Ik hoef niet mee. Laat mij maar genieten. Ik ga voor verlangzaming, voor kwaliteit in de tijd die mij gegeven is.
Dat staat haaks op het moeten.
Op het moeten van een steeds verder ontwikkelende maatschappij van ieder voor zich en God voor jezelf.
Maar ook op het moeten van een kerkcultuur die meent nog te kunnen zeggen voor anderen hoe het moet.

Ik geloof dat je de zin van je leven ontvangt in de tocht naar binnen.
Om in de tijd die je gegeven is, in die hele zoektocht, twijfeltocht
om te ontdekken dat het leven een geheim is van God gegeven.
Geloven is niet een overtuiging, een voor-waar-houden.
Geloven is een levenshouding een verinnerlijking.
Te ontdekken dat je vertrouwen kan op Hem die nooit door ons te grijpen is, nooit vast te leggen is, altijd weer de Andere, Die we God noemen. Maar nooit in ons laatje, in ons denkraam is in te passen.

Een oude man zei mij eens, ik weet het niet zo met God, ik geloof dat iedereen een stukje van God in zich draagt en dat we dat samen zijn.
Misschien is God zo aanwezig?
Ik weet het niet. Ik geloof wel dat wij het gelaat van God zij. God krijgt gezicht door ons.

Er is één vraag die je zelf hebt te beantwoorden, je leven lang.
Of je daarin je eigen waarheid onder ogen durft te zien.
Hoe doe je dat.
Ik denk dat er een paar stappen zijn aan te geven.

De eerste is dat je bereid bent om jezelf onder ogen te zien en te blijven zien. Dat je waarachtig bent voor jezelf. Jezelf niet verloochen.
Waar je je mooier voordoet dan je bent, toneel speelt. Daar verlies je jezelf. Dat kan je beter niet doen. Als je jezelf in de steek laat, wie mag er dan nog wel bij je komen, dichtbij.

Het tweede is dat je je op de één of andere wijze betrekt bij de mensen om je heen.
Dat betekent niet dat je heel sociaal met zijn, of overal aan mee moet doen.
Je hebt tijden van betrokkenheid en tijden van teruggetrokkenheid.
Het is meer je innerlijke houding of je aanspreekbaar bent voor mensen waar jij dat wilt, of als het nodig is, waar een ander je nodig heeft.
En omgekeerd, dat jij de mensen zoekt bij wie je je betrekken wilt als jij mensen nodig hebt.

Maar met het groeien van de jaren ontdek ik dat de weg ligt in de gemeen¬schap. In het meedoen, meedenken, meedragen, meeleven, temidden van de anderen.
Die gemeenschap is daar waar 2 of 3 in zijn Naam samenkomen.
Die gemeenschap is hier.
Die gemeenschap is overal waar mensen van hart tot hart elkaar nabij zijn.
Waar de waarheid in Gods hand ligt.
En de barmhartigheid in onze handen.
Amen.

Literatuur: E.Drewermann, Op het raakvlak van hemel en aarde, pg. 64v.
Br. Roger van Taizé, Zijn liefde is een vuur, pg. 21v.

Er is maar één taal waarin God spreekt,
en dat is de taal van de genade en de goedheid en wat geen blijk geeft van genade en goedheid kan volgens Jezus niet uit God zijn.