Preek 31 Juli 2011

Delen is vermenigvuldigen is de clou van dit verhaal, zou je kunnen zeggen.
Geen wiskundige waarheid, maar wel een ervaringswaarheid.
Het is hetzelfde als het spreekwoord zegt: gedeelde smart is halve smart, gedeelde vreugd is dubbele vreugd.

Van geven word je rijk, zo zou je het ook kunnen zeggen. Je ontvangt meer van geven dan dat je maar wacht, totdat je iets krijgt en teleurgesteld raakt als je dat niet krijgt. Toch is dit laatste, leven vanuit een tekort, gemeengoed onder de mensen.
Je focussen op wat je niet hebt, wat je mist, wat de ander wel heeft en jij niet.
Eten en drinken hebben wij meer dan genoeg. Maar aandacht? Ik denk dat we als mens vaak aandacht tekort komen.
En we raken zomaar in de vicieuze cirkel van een oneindig tekort.
Nu komen we misschien ook wel aandacht tekort. Omdat maar weinig mensen echt kunnen luisteren en vooral vol zitten van zichzelf.
Maar als je het nou eens zo zou kunnen aanpakken: i.p.v. dat je blijft wachten tot je eindelijk gehoord wordt en steeds gefrustreerder raakt, begin eens met zelf aandacht te geven.
Als illustratie: in de laatste Happinez stond een column van Susan Smit, waarin zij zegt: Ik voel wat Julia voelt als ze tegen Romeo zegt: hoe meer ik je geef, hoe meer ik heb, want beide zijn oneindig.
De liefde die je kunt geven en ontvangen, is als een rivier die zich, als je het toestaat, verbreedt tot een zee, er komt geen einde aan de overvloed. Mensen denken dat een mens zijn liefde moet verdelen, als of het een fles is waar maar zoveel glazen uitgaan. Alsof het op kan raken. Het tegengestelde is waar, liefde verdubbelt zich gewoon. Steeds opnieuw blijkt er genoeg te zijn voor iedereen.

Volgens mij gaat het daarover in het verhaal van vandaag. Jezus heeft zich teruggetrokken op een eenzame plaats nadat hij heeft gehoord dat Johannes de Doper door Herodes is vermoord.
Een gruwelijk bericht. Ook Jezus’ leven is onveilig geworden.
Er is reden genoeg tot zorg en bezorgdheid. Steeds meer mensen worden Jezus vijandig. Toch reist ook deze keer een hele menigte hem achterna.
Ondanks het feit dat Jezus de stilte nodig heeft om zich weer te verzamelen, en dat geldt voor ons allemaal trouwens, ziet hij de mensen en door hun aanblik wordt hij met ontferming bewogen, zoals de NBG vertaling het nog zo mooi zei. Medelijden hebben klinkt toch anders.
In het Hebreeuws heeft het woord ontferming met baarmoeder te maken, in het Grieks met ingewanden. Je voelt het in je buik, de schreeuw om aandacht van de mensen, hun geestelijke nood. Hun ziekte en eenzaamheid. Omdat hij zo geraakt wordt, kan hij er weer zijn. Want hij is er met zijn gevoel bij. Het is geen verplicht nummer. Hij doet zichzelf niet tekort. Het is goed zo met elkaar.

Maar dan is het etenstijd en de leerlingen schieten in hun rol van bezorgdheid. Er moet eten op tafel komen. De leerlingen denken vanuit het tekort. Dat is jammer, ze hebben het zo goed samen en dan toch die bezorgdheid.
Of is Jezus veel te naief? Zweeft hij en leeft hij niet in de realiteit van alledag? De realiteit waarin toch gegeten moet worden Wat vind u? Jezus gaat niet uit van de bezorgdheid maar van het vertrouwen. Dat is een andere levenshouding/instelling.
Ze hoeven niet weg, zegt Jezus, geven jullie hun maar te eten.’ Als jullie je dan zo verantwoordelijk voelen voor het eten, zorg er dan ook voor.
Ze antwoordden hem: ‘We hebben hier niets, alleen vijf broden en twee vissen.’
Hij zei: ‘Breng ze mij.’
’En nadat hij de mensen opdracht had gegeven op het gras te gaan zitten, nam hij de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel, sprak het zegengebed uit en brak de broden; hij gaf ze aan de leerlingen, en de leerlingen gaven ze door aan de mensen.
Iedereen at en werd verzadigd, en toen ze de stukken brood die over waren ophaalden, hadden ze twaalf manden vol.
Er hadden ongeveer vijfduizend man gegeten, vrouwen en kinderen niet meegeteld’.
‘Wij hebben hier niets.’ Hier klinkt weer het tekort. Het was een afgelegen plaats waar de mensen naar toegekomen waren.
Een plek buiten het gewone leven. Er was daar niets.
In die woorden klinkt de echo door van de eerste lezing, die over de woestijntijd van het volk Israel gaat, de woestijn als een plek waar niks is.
Er is daar niks. Woestijn kan van alles zijn.
Bijvoorbeeld het gevoel dat je met lege handen staat, als je bij je iemand komt, die een verlies geleden heeft, waar niets aan te veranderen is, of die moeite en zorgen kent. Een situatie die jijzelf niet zomaar kunt veranderen of verbeteren.
De vraag van Jezus is dan: heb je echt helemaal niets of heb je misschien toch nog wel wat?
En zo ja, begin dan met dat kleine, met dat weinige dat je hebt. Als je niets kunt veranderen aan de situatie, en dat gebeurt natuurlijk, als er geen genezing meer is, of onherstelbaar verlies geleden. Maar dan heb je altijd nog je oren, die kunnen luisteren, die je kunt oefenen, om wat de ander vertelt, zo in je op te nemen, dat het aankomt in je hart. En in je buik, waar je geraakt kan worden, met ontferming bewogen.
Dat kan troost geven. Je hebt misschien nog een hand over, die je op de hand van de ander legt, als de situatie zich daarvoor leent.
Wij hebben hier niets.
Als je dat gevoel hebt, kijk dan nog eens echt goed. Heb je echt niets, of is het misschien heel erg weinig, en durf je het daarmee niet aan.
Ik denk dat juist dat de kracht is van dit verhaal, dat je het met een klein beetje aandurft. Van een klein mosterdzaadje groeit een enorme boom uit. Het weinige is genoeg om veel mee te kunnen.
Zeven is voldoende, vijf en twee. We hebben zeven dagen in de week gekregen om te leven. Om te delen, ook van ons tekort, ons verdriet, onze onmacht, maar ook van onze vreugde, dankbaarheid en verwondering. En het zal worden tot een overvloed die zich alsmaar vermenigvuldigt.