Preek 24 Juli 2011

Mattheus 13, 44-52

Na de overdenking moment van stilte daarna zingen wij: Gezang 448, verzen 1,2,3.

Gemeente van Jezus Christus
Er was eens een man, hij was handelaar. En hij had een heel biezonder handeltje. Hij handelde in koralen, van die prachtige versteende planten uit de diepe oceaan. Koralen zijn heel kostbaar en de prijs die de mensen er voor moesten betalen was ook hoog. De handelaar, hij verdiende er niet zoveel aan. Krap aan genoeg.
Op een dag was een fabrikant zo slim geweest, die had kunstmatige koralen gemaakt, van een soort kunststof. Ze leken er heel goed op, net zoals plastiek bloemen dat soms kunnen.
En je kunt begrijpen, die kunststof koralen, ze waren veel goedkoper dan de echte koralen. En de mensen vonden dat best, als het goedkoop kan, waarom zou je dan duur doen. Dus iedereen kocht kunststof.
Maar de handelaar, hij was er niet gelukkig mee, ja, hij werd er wel rijk van, maar als hij een lucifer bij die kunstof dingen hielt, dan smolten ze weg en stonken nog bovendien.
Op een dag sloot hij zijn zaak en ging naar het zuiden. Met alles wat hij had. Naar een land, ver weg, om te duiken om de echt koralen weer te zien. En eenmaal daargekomen is hij daar gebleven. Op een dag kwam hij na het duiken niet meer boven.
Hij was niet meer.

Een sprookje, net zo’n sprookje als Jezus vertelt.
Over een man die al zijn bezit verkoopt om die ene parel te kopen.
Is het niet zo dat wij allemaal wel eens dromen van dat ene, wat zo volmaakt is, zo schoon. En wat ons ten deel valt.
Dat je al je geld en goed wel zou willen opgeven om dat ene te krijgen.
Zoiets als gezondheid. Je denkt er niet bij na als je gezond bent, maar als je ziek bent, dan merk je pas hoe belangrijk het is.
Een onzinnige hoofdpijn kan je dag al tot een kwelling maken.
Laat staan als het iets ergs is, als ze zeggen: je hebt kanker, je moet er maar mee leren leven.
Alles, al je geld en goed zou je overhebben om gezond te zijn.
Om een wonder, dat je weer heel bent.

Als je iemand verliest, dan, pas dan merk je wie je moeder, je vader, je man, je vrouw, je kind, je vriend, pas dan merk je hoeveel je verbonden bent. Liefde, van elkaar hou, door alle dingen heen.
Pas dan ontdekt je wat het betekent: een warm mens, zo letterlijk.

Normaal, alledaags, dan sta je daar niet zo bij stil. Alles is zo vanzelf¬sprekend, je hebt soms ruzie en loopt dan kwaad weg of huilt of zwijgt. Je irriteert je, maar zeg maar niets, maar denk het jouwe.
Vaker, is het zo druk dat je langs elkaar heen leeft, een hele tijd, dagen, weken. Elkaar haast niet in de ogen ziet.
Pas als er iets gebeurt, pas dan, dan merk je wat een mens is: kostbaar, kwetsbaar, zo innig geliefd, verbonden, vermengd met onmacht dat je niet meer elkaar begrijpen kon, goed kon praten. Alles door elkaar.

Hoe wordt je wie je bent. Het is als het verhaal van de oester.
Dat lijkt een sprookje, maar het is werkelijk¬heid.
Een oester is een dier. We spreken altijd over de schelp, maar in de schelp, daar zit de oester.
De schelp gaat open om het leven toe te laten. De oester voedt zich met het leven dat in het water zit en binnenstroomt. Maar soms, dan zit daar wat scherps in. Een zandkorrel of zo. In ieder geval zo scherp dat de oester het niet verteren kan. Dan gebeurt iets wonderlijks.
Om die scherpe zandkorrel heen bouwt de oester een laagje, een beschermend laagje die de scherpte van de zandkorrel wegneemt. Het laagje wordt hard, en zie: de parel is geboren. Een parel, dat is de harde laag die de oester om de scherpe zandkorrel heen heeft gemaakt.
Pas als de oester niet meer leeft en voor het laatst dan opengaat, zien we de parel.

Is een mens niet vaak het zelfde?
Dat wat ons steekt, dat wat ons kwetst. We bouwen daar een laag omheen. Meestal een harde laag, waarmee we ons verdedigen, zodat het niet zo zeer meer doet.
Zo weten we ons groot en sterk te houden. Door kwaad te worden in plaats van het verdriet te voelen. Door maar harder te werken, in plaats van tot elkaar te komen. Door kommentaar te geven, in plaats van jezelf te laten zien. Te zoeken hoe je bij elkaar komt.

Maar ook, tegelijkertijd, als je van iemand houdt, dan leer je die ander te zien, dan kijk je door die harde laag heen. Dan weet je wel wat daaronder zit, daarachter. De parel die je lief leert krijgen. Het levenslang gevecht om toch elkaar niet te verliezen.

In de dood, als de schelp opengaat, verschijnt ineens de parel waarom je al die tijd om gevochten hebt.
Ontbloot van alles ligt daar je waarheid die je samen hebt gemaakt, gevon¬den. Hoe je elkaar lief hebt gehad, waarin je elkaar hebt gevonden en waarin je tekort geschoten bent.
Hoe je werd beheerst door de onmacht en de kracht hebt gevonden om elkaar nabij te zijn. Hoe je samen mens bent geweest, elkaar gevormd hebt zoals God ons boetseerde als uit klei.

Ik heb dit keer, dat doe ik niet zo vaak, een lezing uit de brieven erbij genomen.
Om de verbinding te leggen met iets wat we helemaal uit het oog verliezen. Dat is het begrip ‘zonde’.
Het begrip zonde is in de kerk zo misbruikt en heeft mensen zo klein gehouden dat ik het met terughoudendheid gebruik.
Maar hier haal ik het er bij.
Zonde, dat is, dat je voorbij gaat aan je bestemming. Zonde is vooral, dat je ontkent wat er aan tekort is. Tekort in de wereld, tekort in het leven, tekort bij de ander, tekort bij jezelf. En misschien moet je zelfs wel zeggen tekort bij God. Zonde is dat je het tekort ontkent.
De zandkorrel in de schelp.
Dag gebeurt maar al te vaak. In relaties, je gaat de verschillen het ongenoegen uit de weg. Je durft jezelf niet te laten zien, in wat je kwetst, wat je nodig hebt van de ander. Want dan ben je zo ‘afhankelijk’.
Zonde, dat is dat je het tekort ontkent bij jezelf. Dat je de strijd aan gaat om het gelijk. Dat heb je ook wel, alleen je hebt erg weinig aan je gelijk als je daarmee de ander verliest. Meestal sta je alle twee in je recht, alleen vanuit een ander standpunt, of vanuit een ander behoefte, wat je nodig hebt.
Zonde is ook, dat je ontkent dat God voor ons tekort schiet. Dat wij geen antwoord hebben op wat er gebeurt in de wereld, in ons leven. De vraag naar het kwaad.

Wij maken van God meestal een perfect plaatje. Maar ja, is dat zo.
Er is een oud Joods verhaal waarin wordt verhaald dat God de wereld schiep en het was knoeiwerk, dus God begon weer opnieuw, tot 26 keer toe. En toen zei God: ‘ ‘t is goed zo’. En wij lezen ‘en God zag dat het goed was’. Is dat perfect.
Is dat hetzelfde? Nee toch.
Zonde, dat is in ieder geval dat je ontkent, dat je voorbij gaat aan dat waarin ons leven een knik heeft, een breuk, een tekort. In onszelf, in onze ouders, in ons leven, in onze verhouding met God, in onze verhouding met anderen.

Snap je.

Pas als je het tekort onder ogen ziet, kan je je er ook mee verzoenen.
Als je het tekort ontkent, dan blijft het in het duister.
Dan gaan mensen klagen over allerlei dingen die niet goed zijn, of die fout zijn, of waar ze het niet mee eens zijn. Verwijten.
In plaats van zelf verantwoordelijkheid te nemen.
Dan zie je dat mensen in een onvoorstelbare rijke welstand leven en toch blijven denken en klagen en praten vanuit het tekort, vanuit wat beter moet.
In hun relatie, in de kerk, in de politiek, op het werk, noem maar op.
Zonde, zonde van je tijd, zonde van je levensvreugde.
En vooral zonde omdat je daarmee tekort doet aan elkaar. Aan de goedheid die je met elkaar deelt. Aan de intentie van de ander die toch meestal, bijna altijd, net als jij, probeert om het goede te doen.
De zandkorrel in de oester, dat is dat wat ons steekt, wat schuurt aan onze kwetsbare kant. Het tekort.

Er staan in het begin van de bijbel, in genesis, twee scheppingsverhalen van de mens. Hoe de mens geworden is wie hij en zij geworden is.
Het ene is wat ik net zei: uit het stof der aarde werd de mens geboetseerd. Met de handen vol van klei was God daar bezig om de mens te vormen. En u kunt het mooi vinden of niet: dit is het geworden. (Slecht loodgietersewerk) Een wonderlijk lichaam, dat een leven lang meegaat. Die, hoe is het mogelijk, als een wond geslagen wordt, vanzelf weer heelt. Die met koorts de griep eruit bant.
Een lichaam dat zich overgeeft aan de slaap, of je wilt of niet, om weer op kracht te komen.
Meer dan dat, God blies de adem in de mens, de levensadem. De levensgeest.
Wat maakt ons anders dan de dieren?
De Geest die in ons leeft. Gods Geest. Waardoor wij weten wie wij zijn, dat wij zijn. Waardoor wij weten dat wij mensen zijn voor tijdelijk hier.

Het tweede scheppingsverhaal staat net daarvoor. Bij de zeven dagen van de schepping. Daar is God niet in de weer met klei, HIj blaast geen adem in de mens. Nee, daar werkt God met woorden.
Het eerste wat Hij doet is zegenen. Wij zijn gezegende mensen. Dat moet je nooit vergeten: God heeft ons gezegend, voordat we nog maar wisten dat we er zouden zijn heeft God ons gezegend. Voordat we ook maar de kans hebben gemaakt om in ons leven te maken of te breken heeft God ons gezegend.
MIJN ZEGEN HEB JE, GA MAAR OP WEG. MAAK ER MAAR WAT VAN.
Dat is het tweede: MAAK ER MAAR WAT VAN, zei God.
Maak je meester van de aarde, daar hebben we nog wat moeite mee. Om het maar zacht te zeggen. Omdat we denken dat meesterschap betekent dat je de baas bent. Terwijl een goede baas dienstbaar is aan de zaak, aan de mensen.

Daarin ligt ons begin en onze bestemming: door God gezegend en geroepen zijn om met elkaar mens te zijn. Elkaar tot naaste.
Daarin is de mens ook kostbaar, daarin schuilt het mysterie van ons leven. Nooit en te nimmer zullen wij antwoord kunnen geven en zeggen: kijk, dat en dat is de mens.
Wij zijn bestemd en bedoeld om met elkaar en voor elkaar mens te zijn.
Om de parel te ontdekken.
Dat wij zelf zo’n parel in ons dragen. Niet zomaar één die uit de hemel is gevallen. Maar die gegroeid is.

Juist waar wij gekwetst zijn, waar we stuklopen op het tekort, waar wij als door een scherpe zandkorrel worden geschuurd, en gestoken, daar zijn wij mens geworden.
Hebben wij als de oester een harde laag gebouwd.

Wie in staat is om reeds voordat de oester opengaat, voordat de dood ons overvalt de parel te zien, die leert het leven verstaan.
Die weet waarvoor hij alle rijkdom in wil leveren.

Is dat niet wat een mens mag zijn.
Een parel, kostbaar.
Of denkt u dat Jezus ergens anders over spreekt als hij het heeft over het Koninkrijk der hemelen.
Het koninkrijk der hemelen is toch juist dat: dat wij ons in leven en in sterven in Gods hand mogen weten.
Nu, in ons samenleven, om elkaar te winnen, de parel te ontdekken.
Tot voorbij de dood. Waar God ons opneemt in Zijn thuis.
Amen.