Preek 17 Juli 2011

Gelezen zijn: Jes 40:12-31 en Matt 13:24-43
Tekst: Matt 13:43: Laat wie oren heeft goed luisteren!

Gemeente van Christus,
Zusters en broeders,

Wat een opmerking eigenlijk: Laat wie oren heeft goed luisteren. Natuurlijk luister je goed, zeker als een belangrijk persoon je iets te zeggen heeft. Tenminste, dat zouden wij wel verwachten.

Want het zijn toch niet zo maar verhaaltjes die er hier verteld worden. Of misschien toch wel?
Is de Bijbel immers niet een soort verhalenboek. Een boek waarin mensen vertellen van hun ervaringen met die ene, unieke God.
Waarin mensen in verhalen en beelden onder woorden proberen te brengen wat zij in hun leven als mens en als volk, als gemeenschap met die God beleefd hebben, in voorspoed en in tegenspoed. Een boek waarin mensen vertellen van de hoop en het vertrouwen dat ze uit die ervaringen geput hebben.

Toen ik deze Bijbelgedeelten las, moest ik denken aan wat Dick Bruna vertelde bij de opening van een tentoonstelling van zijn werk in het Rijksmuseum.
Hij vertelde hoe hij zijn kinderen voor het slapen gaan de belevenissen van een konijn vertelde.
En hoe hij daarbij is gaan tekenen. Zo ontstond Nijntje: verhalen vertellen over belevenissen uit het dagelijks leven, en daarbij tekenen. Beeldverhalen dus.

Het waren (en zijn) niet zo maar verhaaltjes, maar altijd verhaaltjes met een boodschap, hoe verborgen die soms ook lijkt te zijn.

Dat zien we ook in het gedeelte dat we lazen uit de profetie van Jesaja.
Jesaja probeert een beeld te schetsen, een beeld van God, in woorden. Door vragenderwijs iets te vertellen, over de schepping, over de Geest van God. Want het volk Israël twijfelt, twijfelt in de ballingschap aan Gods aanwezigheid. Hoort Hij wel wat wij roepen? Ziet Hij wel wat wij hier moeten ondergaan?

Het volk geloofd het niet meer zo erg, daar in de ballingschap.
Maar daartegenover legt Jesaja uit: God is toch groter dan wat ook?
Daarom roept hij het uit tot ieder die het maar horen wil:

Weet je het niet? Heb je het niet gehoord?
Een eeuwige God is de HEER,
schepper van de einden der aarde.
Hij wordt niet moe, hij raakt niet uitgeput,
zijn wijsheid is niet te doorgronden.
Hij geeft de vermoeide kracht,
de machteloze geeft hij macht in overvloed.
Jonge strijders worden moe en raken uitgeput,
zelfs sterke helden struikelen,
maar wie hoopt op de HEER krijgt nieuwe kracht:
hij slaat zijn vleugels uit als een adelaar,
hij loopt, maar wordt niet moe,
hij rent, maar raakt niet uitgeput.

Jesaja schetst hier een beeld. Hij vertelt in een beeldverhaal over Gods Rijk, over wat wij Koninkrijk zijn gaan noemen in navolging van Jezus.

En precies over dat Koninkrijk vertelt Jezus. In beelden, in beeldende verhalen, in gelijkenissen.
Als zijn leerlingen er naar vragen geeft hij voor hen ook uitleg, maar voor de omstanders blijft de betekenis nog even verborgen.
Voor de leerlingen geeft hij uitleg. Maar ook bij die uitleg moet je heel goed luisteren en heel goed lezen.

Het staat er niet met zoveel woorden, maar de eerste gelijkenis gaat over geduld oefenen, niet haasten, niet op de dingen vooruit willen lopen.
Die knechten van de eigenaar van het land willen meteen aan de slag: onkruid uittrekken, ruimte geven aan het goede zaad. Heel begrijpelijk. Zouden wij misschien ook wel zo willen doen.

Maar die eigenaar van de oogst beslist anders: nee, wacht tot het graan rijp is om geoogst te worden en scheidt dan het graan van het onkruid.
Oogst is dan beeld voor het eindoordeel, voor wat wij de eindtijd zijn gaan noemen.

Dat uitstel van de scheiding geeft hoop: wie dat wil, kan omkeren, kan zich bekeren, kan zich van de vijand afwenden en naar de eigenaar van de akker luisteren.

Horen we dat in deze gelijkenis: wie oren heeft moet goed luisteren!?

De tweede gelijkenis wijst ons er op dat dingen wel eens heel anders kunnen gaan dan wij mensen verwachten: hoe klein een mosterdzaadje ook is (er zitten immers ruim 700 zaadjes in een gram!), het groeit uit tot een enorme struik, tot wel 3 meter hoog!

Misschien hebben wij mensen het nog niet in de gaten, maar van een eerste miniem klein begin (mosterdzaad) kan het Koninkrijk uitgroeien tot geweldige grootte (mosterdstruik). Het begin is met de komst van Jezus gegeven, de rest is een kwestie van tijd om te groeien.

De derde gelijkenis tenslotte vertelt ons, dat een heel klein beetje zuurdesem genoeg is om het hele deeg te doortrekken, als het maar de tijd krijgt.

Wij weten niet wanneer het Koninkrijk overal zichtbaar, tastbaar, herkenbaar zal zijn, maar het begin (Jezus Christus) is er en het zal op zijn tijd gestaag doorwerken door heel de wereld: op den duur zal dat zuurdesem het hele deeg doortrekken.

Deze gelijkenissen, het zijn verhalen, beeldverhalen met een heel bemoedigende boodschap: er is bij God als Heer van de wereld geduld, heel veel geduld.
En de groei van Zijn Koninkrijk zal geweldig zijn en niet te stuiten.
Terwijl wij slapen gebeurt het zoals desem door het deeg heentrekt als je het een nacht laat staan. Het zal allemaal gebeuren, als je het graan de tijd geeft om te groeien, desnoods samen met het onkruid. Heb dus geduld en wil de loop der dingen niet naar jouw hand zetten, maar vertrouw op God.

De vraag is dan: horen wij die boodschap nog? Luisteren wij wel goed genoeg? Hebben wij zoveel geduld, of moet het allemaal gebeuren op de manier, die wij willen en op het tijdstip dat ons het beste uitkomt?

Of durven wij te hopen en te vertrouwen op God, zoals Jesaja zegt: dan krijgen wij nieuwe kracht om onze vleugels uit te slaan.

Om ons bij die hoop en dat vertrouwen te betrekken roept Jesaja ons op om onze oren en ons luisteren daarop te richten:

Weet je het niet? Heb je het niet gehoord?
Een eeuwige God is de HEER,
schepper van de einden der aarde.
Hij wordt niet moe, hij raakt niet uitgeput,
zijn wijsheid is niet te doorgronden.
Hij geeft de vermoeide kracht,
de machteloze geeft hij macht in overvloed.
Jonge strijders worden moe en raken uitgeput,
zelfs sterke helden struikelen,
maar wie hoopt op de HEER krijgt nieuwe kracht:
hij slaat zijn vleugels uit als een adelaar,
hij loopt, maar wordt niet moe,
hij rent, maar raakt niet uitgeput.

En Jezus trekt die lijn verder door en roept ons daarom op om in die hoop en bij dat vertrouwen onze oren goed de kost te geven:

Laat wie oren heeft goed luisteren!

Amen!