Preek 19 Juni 2011 (Tentdienst)

Ik kwam aan het begin van deze week terecht op de website van Annemiek Schrijver van de Ikon. Er stond een stukje op over Pinksteren.
Ze schrijft daar: ‘Als kind leerde ik dat de Heilige Geest de Trooster was. Niet zo moeilijk te aanvaarden. Een hele troost zelfs.
Maar er werd een enorm ingewikkelde uitleg bij gegeven. Dat het niet ging om gewoon troosten, maar om…..
Daar ben ik toen afgehaakt. Niet vrijwillig, maar uit onmacht.
Derhalve heb ik nog steeds geen idee wat de adder onder het troostgras was.
Het merkwaardige is dat me dat tot op heden nog regelmatig overkomt. Dat ontroering recht bij je naar binnen vlamt, maar dat anderen je de kleine lettertjes eerst gaan voorlezen, waardoor je weer van je buik naar je voorhoofd waait.
Deze Pinksterdagen zal ik de geest nabij zijn. Die waait maar en doet maar. Vroeger snapte ik dat wel. Nu eigenlijk ook weer.
Maar pfff, die lange omweg daartussen.
Om te huilen bijna.’

Ontroering komt recht bij je naar binnen, zegt ze, maar het mag blijkbaar niet, want mensen gaan je dan de kleine lettertjes voorlezen, waardoor je weer van je buik naar je voorhoofd waait.

De drie OOO’s die bij het thema verwondering zijn gekozen slaan op ontroerd, onverwacht en onbegrijpelijk. Op internet vond ik dat dit een pedagogische methode is, die uit Italië (Reggio Emilia) komt, waar men na de verschrikkingen van de 1e wereldoorlog, anders met elkaar wilde leren omgaan. Ze besloten kinderen dingen te leren door bij hun verwondering aan te sluiten. Kinderen kunnen zich nog eindeloos verwonderen over dingen.
Ze zeggen in die methode:Alle kinderen beschikken over honderd talen om zich uit te drukken. Naast de spreektaal kunnen kinderen zich uiten in klanken, beweging, kleuren, schilderen, bouwen, boetseren en zoveel meer. leder kind is vanaf zijn geboorte rijk aan mogelijkheden, krachtig en creatief.
Maar, staat er ook bij deze methode:
‘Het kind heeft honderd talen, maar ze pakken er negenennegentig af. De school en de samenleving scheiden het hoofd en het lichaam. Zij zeggen tegen het kind: dat hij zonder handen moet denken, zonder hoofd moet handelen, moet luisteren en niet praten, moet begrijpen zonder vreugde, alleen met Pasen en Kerstmis mag liefhebben en verwonderen. Ze zeggen tegen het kind: ik geef je de al ontdekte wereld en van de honderd, pakken ze er negenennegentig af. Ze zeggen tegen het kind: dat werk en spel, realiteit en fantasie, wetenschap en verbeelding, hemel en aarde, verstand en droom, dingen zijn, die niet bij elkaar horen. En dus vertellen ze het kind, Dat de honderd er niet is. Het kind zegt: Zeker: de honderd is er wèl.’

Het is wat Annemiek Schrijver ook zegt. Alsof je, als je je verwondert, niet meer in de realiteit staat, maar in een droom- en fantasiewereld verkeert waar je uit gehaald moet worden. Van je buik naar je hoofd moet waaien.

De Remonstranten (een vrije stroming binnen de kerken) hebben in 2006 een nieuwe geloofsbelijdenis geformuleerd. Die begint zo:
‘Wij beseffen en aanvaarden dat wij onze rust niet vinden in de zekerheid van wat wij belijden, maar in verwondering over wat ons toevalt en geschonken wordt.’

Verwondering staat hier tegenover de zekerheid van belijden. Verwondering is open, zekerheid zit dicht. En geloof is heel vaak in verband gebracht met zekerheid, met vaste regels en dogma’s, die je moest geloven om christen te zijn. Waaien van je buik naar je hoofd.
Ik herken het zelf ook sterk. Alles wat ik zelf anders voelde dan dat ik leerde in de kerk, werd veroordeeld als zijnde fout, niet in overeenstemming met de drie formulieren van enigheid. En die waren de norm.

Maar blijkbaar is er in het geloof ook sprake van verwondering, anders was het thema hier niet gekozen. Gez. 252, een Pinksterlied zegt het zo mooi: wij zullen leren leven van de verwondering, dit leven, deze aarde, de adem in en uit, het is van Gods genade en zijn lankmoedigheid.

De Pinkstergeest is het die openmaakt, zodat je weer van je hoofd naar je buik mag waaien.
Die onverwacht, onbegrijpelijk en ontroerend je overvalt als liefdesadem van boven. Je begrijpt het niet, je kunt het niet in een geloofssysteem vatten, en als je dat wel doet, maak je het kapot. Het is een wonder. Een net zo’n groot wonder als dat je geschapen bent, geboetseerd uit stof van de aarde, met liefde en toewijding gekneed tot een wonder van leven, een prachtig evenbeeld van de Schepper, een mens uit één stuk. De kroon op de schepping.
Want, lazen we: ‘Uit de bedding van de stroom, schepte God klei;
En aan de oever, knielde hij neer;
Daar knielde de grote God, die de zon had gemaakt, in de hemel gesteld,
die de sterren wierp naar de uithoeken van de nacht,
die de aarde kneedde in de holte van zijn hand;
deze grote God,
als een moeder die over haar baby buigt, knielde neer in het stof,
zwoegende aan een klompje klei, tot hij het had gevormd
naar zijn eigen beeltenis.
Toen blies hij er in de adem des levens,
En de mens werd een levende ziel’.

En ‘als de mens opent hart en mond
en zo Gods liefde in zich ademt,
dan wordt een mens een wonder:
haar tong wordt aangeraakt door vuur
en zijn woorden verwarmen de aarde-
haar handen krijgen kracht en dragen
stenen voor huizen van vrede.
Zo raakt God mensen overal
en blaast zijn adem in ze uit:
en mensen worden wonderen
als hun leven gedragen wordt door liefde.’

Verwonderen mogen we ons erover dat we uit liefde zijn gemaakt, teder en toegewijd. En hoewel we onszelf en elkaar zo de maat kunnen nemen en oordelen, afwijzen en ontevreden zijn, geloven we hier vandaag in het wonder.
Dat er een God is die van ons houdt, die zijn zoon ons heeft gegeven om ons te genezen en bevrijden van angst en demonen, van alles wat ons gevangen kan houden. Die ons zelfs zijn Geest heeft gegeven, de liefdesadem van boven, die zonder kleine lettertjes (de adder onder het troostgras), ons bezielt en vrij maakt, die onvermoede krachten in ons aanboort zodat we boven onszelf uitstijgen, vleugels krijgen, niet meer worden vastgehouden door wetten van buiten en binnen ons, en een wonder worden van genade.
Een getuige van een nieuw leven, geboren uit verwondering om al wat leeft. Verwondering om een ieder die –stukgelopen- toch weer opstaat. Om de glimlach van een kind die je op een sombere dag geschonken wordt als teken van boven. Om de eerste krokus die na een lange winter je tegemoet straalt, om de regenboog aan de lucht die je eraan herinnert dat God trouw blijft aan ons mensen. Al die kleine dingen die groot worden als je met open ogen en oren in de wereld staat. De wereld die gelukkig nog vol is met wonderen.

Gij hebt de bloemen op de velden
met koninklijke pracht bekleed.
De zorgeloze vogels melden
dat Gij uw schepping niet vergeet.
’t Is alles een gelijkenis
van meer dan aards geheimenis.

Laat dan mijn hart U toebehoren
en laat mij door de wereld gaan
met open ogen, open oren
om al uw tekens te verstaan.
Dan is het aardse leven goed,
omdat de hemel mij begroet.