Preek 24 April 2011

Ik denk dat je het beste kunt voelen wat Pasen is tussen de graven. Zoals we daar zonet stonden. Temidden van de namen van hen die bij ons horen, familieleden, bekenden. Om juist daar te horen dat de liefde sterk is als de dood, dat het leven de dood heeft overwonnen. Ik hoop dat het troost heeft gebracht.
Om daar het paasevangelie te horen, het ‘’U zij de glorie’’ op trompet, een witte roos bij een graf te leggen.

Pasen is van een andere orde dan Goede Vrijdag.
Goede Vrijdag is van de feiten, van marteling en dood.
Jezus heeft men aan het kruis zien hangen, zien sterven. Als een afschuwelijk gebeuren. Je ziet het dagelijks op tv, beelden van oorlog, marteling en geweld.
Het is de realiteit waarin wij leven.
Pasen is van een ander soort realiteit. Pasen is van de ervaring, van de binnenkant.
Pasen is geen feit, maar een heilsfeit, voor wie heeft ondervonden dat het waar is.
De getuigen in de bijbel die erover spreken dat ze Jezus hebben gezien, zien meer met hun hart dan met hun ogen. Ze herkennen Jezus aanvankelijk niet. Maria denkt de tuinman te zien, de Emmausgangers herkennen hem niet. Bij de wonderbare visvangst herkennen de leerlingen Jezus eerst ook niet. Het is een ander soort zien, waarvan hier sprake is, niet het herkennen van de letterlijke gestalte van Jezus. Zoals het boekje De kleine Prins van Saint Exupery als belangrijke boodschap heeft: het beste kun je toch zien met je hart!

Want Jezus’ opstanding gaat eigenlijk over ons. Over Maria, Petrus en de leerling die Jezus liefhad, zoals Johannes zegt. En in het verlengde over ons.
Opstanding uit de dood is niet iets van na de dood, maar van in het leven. In ons leven. Daar gaat Pasen over. Over dat geheim, dat mysterie. Dat je mag ontdekken dat de dood niet het laatste woord heeft.
Dat je de schellen van de ogen kunnen vallen, dat je verslagenheid godzijdank kan worden opgeheven. Dat je weer rechtop kunt gaan nadat je terneergeslagen was en gebukt ging. En je ontdekt dat de liefde sterk is als de dood.

Jezus ging dood. Hij was nog maar jong. Hij was een profeet en velen waren door hem gezien, bevrijd en genezen. Hij werd herkend als de zoon van God. Maar niet door iedereen. Hij moest dood.
Maria en de andere vrienden en vriendinnen van Jezus zijn verslagen.
Een goed en rechtvaardig man werd bruut vermoord. Hun grote vriend en leermeester. Wat heeft het leven nog voor zin als zoiets afschuwelijks zomaar kan gebeuren? Je kunt er niet bij met je verstand. Waarom moest dit gebeuren? Waarom gebeuren er nog steeds zoveel vreselijke dingen? En waarom greep God niet in?

Ik denk dat God niet ingreep omdat Hij ons mensen macht en vrijheid heeft gegeven. Wij zijn de handen van God. Dat maakt God tegelijk onmachtig. Hij moet domheid dulden en haat verdragen.
God kan niet anders dan zwijgen, als er mensen zijn die zijn zoon dood willen
Hebben, die met moordplannen rondlopen. Die hun oren dichtstoppen voor het woord van recht en vrede. Zulke mensen kan Hij toch niet inspireren?
God zweeg opdat wij konden spreken.
Hij hield zich op afstand opdat wij konden kiezen. God hield zich als het ware dood, opdat wij Hem uit het graf zouden halen.
God moet in eindeloos geduld wachten op mensen die tot zichzelf komen, hun levensmacht aanvaarden, recht doen, eerlijk zijn, de fakkel van Jezus Messias overnemen, zijn Geest de wereld indragen.

Maria komt tot zichzelf in dit verhaal. Al was zij niet bij degenen die Jezus kruisigden. Zij was wel, door wat gebeurd was, van haar hoop en geloof verstoken geraakt.

Het verhaal uit Johannes zegt ons dat het graf van Jezus leeg is en de steen weg gewenteld.
Wat wil dat zeggen? Maria reageert geschokt: het dode lichaam lijkt gestolen!
Maar als ze later het graf ingaat, vindt ze er twee engelen in witte gewaden. Misschien wil het zeggen dat je het graf in moet gaan, de diepte van de dood in, het verdriet en de leegte in, om te ontdekken dat daar geen angst is, geen bodemloos diepe put, maar dat er engelen zijn. Dat je er helemaal doorheen moet om overnieuw te kunnen beginnen. Maar dat het nieuwe begin je dan zeker tegemoet komt. En dat je je daarna kunt omdraaien van die plek en herkent dat degene die je zo mist nog steeds bij je is en dat het graf leeg is..

Al herkent Maria Jezus eerst niet. Hij is het, maar hij is het ook niet. Ik denk dat het een soort verschijning was. Zij denkt dat het de tuinman is. Ze klaagt nog over het gestolen lichaam en wil het terugvinden. Dan hoort ze haar naam ‘Maria’.
Een mens die zich gekend en genoemd weet bij haar naam, wordt opgetild uit het niemand zijn, uit de grauwheid van het bestaan. Zij weet zich liefgehad.
Jezus heeft haar niet in de steek gelaten. Hij ziet en kent haar.
En dan vallen haar de schellen van de ogen.
En zij noemt zijn naam: rabboeni, meester.

Er is misschien een flits geweest dat ze denkt dat ze hem daar terugheeft, lijfelijk en wel.
Dat is niet zo. Het is anders. Ze moet hem loslaten, hem laten gaan. ‘Houd mij niet vast,’ zegt hij.
Ze moet leren ontdekken dat als ze hem loslaat, ze zal weten dat hij altijd bij haar is.

Kijk waartoe mensen in staat zijn. Zij kunnen hun angst overwinnen, de wanhoop en lafheid van zich afschudden, naast de Gekruisigde gaan staan. Zij kunnen voorbij zien aan dood en duisternis. Zij accepteren hun vrijheid en verantwoordelijkheid, hebben een ziel. Ze doorbreken daarmee Gods onmacht.
Dit wonder is beschikbaar, bereikbaar, als een geheim van leven. Je kunt het zoeken, maar het overkomt je ook. Nieuw leven, uit de dood geboren.
Dat mysterie wil onder ons wonen.

God laat niet los het werk dat zijn hand is begonnen. Jezus, de mens van God blijft gezegend en aanwezig in ons midden.
Als een goddelijk geheim, een nieuw begin van leven. Dat voor ons allen is weggelegd, uit ons geboren wil worden.
Er mag een nieuw begin zijn voor ons, vandaag en alle dagen van ons leven.
Halleluja!

Leave a Comment

You must be logged in to post a comment.