Preek 21 April 2011

Monoloog zalving

Ik zag het groepje van het meer vandaan komen en naar het huis van Simon de Melaatse gaan.
Bijna niemand zocht hem op, die man die eens onrein was en nog steeds als melaatse werd getypeerd. Maar Hij wel!
Het was middag, tijd voor de maaltijd. Hij ging het huis binnen.
Ik keek ze na, de poort bleef open.
Als ik eens naar binnen ging, ik een vrouw, niet uitgenodigd, een vreemde of misschien wel herkend als die uit Magdala, die met het boze oog, de slet, de sloerie.
Wat zou er gebeuren? Ze zouden me de deur wijzen. Vast en zeker!
En hij, Jezus? Wat zou hij doen? Maar wat deed het er eigenlijk nog toe? Ik moest de horde nemen, het was nu of nooit. Het moest gebeuren, het ogenblik was gekomen. Want nu was hij er nog, maar de dreiging van zijn dood hing al in de lucht.
Ik ging naar binnen.
Dichtbij de man was ik die ik als dank, als troost nog één keer alles wilde geven wat ik in me had.
De kruik met kostbare nardusolie, waarvoor ik had gespaard voor de begrafenis van mijn ouders, had ik bij me. Ik wist nu dat ik de olie aan hem moest geven.
Voor deze man was niets te duur, niets te kostbaar. Het zou mijn afscheidsgebaar worden: hem balsemen met olie.

Op de dag dat ik Jezus ontmoette, is er iets met mij gebeurd.
Het was alsof de sluier voor mijn gezicht werd weggenomen.
Ik wist me voor het eerst van mijn leven echt gezien.
Daarvoor voelde ik me niemand, alsof ik geen naam had en geen gezicht.
Ik snakte naar werkelijke aandacht maar kon niet geloven dat er iemand zou zijn die mij die aandacht zou willen geven.
Ik nam genoegen met goedkope liefde. Ik voelde me steeds meer verloren maar ineens was hij daar op mijn weg.
En toen hij me aankeek met die zachte ogen van hem, brak er iets in me.
Ik had wel jaren kunnen huilen. Toen hij weg was, huilde ik ook, zólang tot mijn tranen werden tot een plek waar nieuwe bronnen opwelden.
En toen ik me oprichtte, wist ik: ik ben een ander mens.

En nu was hij weer in de buurt. Ik moest hem zien, zijn zachte ogen.
Ik moest hem bedanken, hem vertellen hoe ik door hem een ander mens was geworden.
Ik wilde hem troosten en eren nu de publieke opinie zich steeds meer tegen hem keerde.
Ik had het gevoel dat het verkeerd zou aflopen. Het was nu of nooit. Nu durfde ik ineens, nu was hij er nog..

Niemand hield me tegen. Het werd alleen heel stil in de ruimte, ieder hield zijn adem in.
Daar stond ik, voor hem.
Ik greep mijn albasten kruik en sloeg hem stuk op het tafelblad. Alsof ik hem met de scherven moest vertellen: mijn verscheurde leven is ten einde.
En alsof het alleen maar zo overvloedig kon. Deze man wilde ik geen liefde geven, mondjesmaat, druppelsgewijs. Alles wilde ik hem schenken… Alles in één keer!
De ruimte vulde zich met een heerlijke geur. De olie om koningen te zalven.
Ik goot het over zijn hoofd, deze gezalfde.

De mannen eromheen werden verontwaardigd en boos. Ze hadden het over verkwisting, geldverspilling en over de armen. Ik hoorde verwijten maar ik hoorde ze ook niet.
Jezus maande hen mij met rust te laten.
En ik zal nooit vergeten wat hij daarna zei: ‘zij heeft nu al mijn lichaam gebalsemd voor mijn begrafenis’. Hij had het begrepen.
Er kwam nog iets achteraan wat me net zo diep trof..
‘Overal in de wereld zal verteld worden van wat zij gedaan heeft, tot haar gedachtenis.’
Ik verstond toen dat het uiteindelijk niet om mij ging, maar om iets veel groters.
Dat er geschiedenis wordt geschreven als mensen meer dan het gewone aan elkaar willen doen. Zoals Jezus mij groot gemaakt had, zo had ik mijzelf nu aan hem gegeven. Als ultieme liefdesdaad.
En deze daad stond voor de eeuwigheid. Dat besefte ik toen. Ze zou blijven voortleven in de gedachten en harten van velen. En in die van Jezus en van mij.
Ook al zou het de laatste keer zijn dat ik deze man had gezien…