Preek 17 April 2011

Lezen: Zacharia 9: 9,10 Mattheus 21: 1-11

Gemeente van onze Heer,

Wie is dit toch die man, vroeg heel de stad zich af. Wie is hij toch? Dit is dé vraag in deze lijdensweken. Om deze vraag draait het: 40 dagen lang. En op palmpasen is de vraag onontkoombaar. Wie is toch die man op die ezel?

Veertig dagen lang zegt God tegen ons: Als jullie willen jullie weten wie ik ben. Als jullie mij willen leren kennen – kijk dan naar Jezus. In hem laat ik me kennen. Hij is mijn gezicht. Hij is mijn stem. Hij lijkt sprekend op mij.

Gemeente, ook op deze palmzondag geldt: Als we willen weten wie God is, dan helpt het weinig naar de hemel te kijken, hoog boven ons. Nog minder helpt het af te dalen in het diepst van onze gedachten. \en naar elkaar kijken, het zal weinig helpen. Nee, leert het Evangelie ons: kijk naar Jezus. In Hem heeft God zich laten kennen. Zoals Hij is, zo is God. Als we willen weten wie God is, moeten we ons durven laten verrassen door het onverwachte, door dat wat niet in ons was opgekomen.

De hele stad is in opschudding. Talloze mensen zijn komen kijken. Straten lang en rijen dik. En het gaat hen allemaal om die Jezus. Wie is hij? Die wonderdoener, die man die Lazarus heeft opgewekt uit de dood. Wie is hij, die man die zich vriend noemt van tollenaars en zondaars? Jezus, wie ben je eigenlijk? Een superstar? Een veldheer? Een wonderdoener? En ook wij vragen het ons af, op deze ochtend van palmpasen in Nijeveen. God, wij zijn gekomen vanmorgen om u te ontmoeten, om tenminste een glimp van u op te vangen.

Jezus, wie ben je eigenlijk? Het antwoord van Mattheus is even kort als onthullend. Dit is Jezus de profeet uit Nazareth in Galilea. Wie is Hij toch, die God van jullie, wordt er van alle kanten om ons heen gevraagd. In de politiek, in de maatschapppij, misschien soms ook wel op ons werk of op school. Wie is toch die God van jullie?

Kijk naar Jezus, zegt Mattheus. Kijk: naar Jezus uit Nazareth, in Galilea. Hij is het gezicht van God. In hem laat God zich kennen. De scharen, ze wilden Jezus zien. Ze juichten hem toe. Iedereen was vol van hem. Maar als er dan gevraagd wordt: Wie is die man, dan klinkt eenvoudig het antwoord: Jezus uit Nazareth in Galilea. Een stad in rep en roer. In opschudding, staat er letterlijk. Een intocht die zijn de mensen enthousiast maat. Aan niemand is het ontgaan. Wie is toch die man?

…. Jezus, uit Nazareth in Galilea.

Is dat alles? Ja, dat is alles. Hoef je niet meer te weten? Nee, meer niet. Want weet je dat, dan weet je alles. Alles? Ja alles om te leven en te geloven. Op meer komt het deze weken niet aan.

Ik vind dat fascinerend van die verhalen over Jezus. Telkens als er van Godswege iets heel bijzonders gebeurt. Telkens als er iets aan de hand is waar mensen op af komen. Elke keer als er iets wordt teweeggebracht dat mensen in beweging brengt en publieke opinies in beroering, dan wordt er niets meer gezegd dan tegen de herders: U is heden de Heiland geboren, namelijk Christus, de Here, in de stad van David. En dit zij u het teken: een kind in doeken in een kribbe. Méér niet.

Ja, maar het gaat toch over God? Inderdaad: in doeken en in een kribbe. Als het erop aan komt, als er dingen gebeuren die hemel en aarde bewegen, dan wordt er niet meer gezegd dan tegen de vrouwen die geconfronteerd worden met de opstanding van Jezus: Hij is opgewekt uit de doden. En zie, Hij gaat u voor naar Galilea; daar zult je hem zien.

Ja, maar het gaat toch over God? Inderdaad: Hij is hier niet. In Galilea moet je wezen. In Nazareth om precies te zijn. Tussen de mensen. Herders en vissers, aan hen laat God zien wie Hij is.

======================================================================

Het verhaal van Jezus’ intocht, gemeente, dat wordt in de Lutherse en Anglicaanse Kerk doorgaans gelezen op de eerste adventszondag. “Hoe zal ik u ontvangen. Hoe wilt gij zijn ontmoet?”. Aan het begin van de adventstijd vroegen we ons af: Wie is toch die man die we verwachten? Waaraan weten we dat we in Hem met God te maken hebben? Wie is toch die man die we verwachten? En waaraan weten we dat we in Hem met God te maken hebben¬?
Het zijn de oervragen van het christelijk geloof. We denken te weten in wie we geloven. We denken te weten wát we geloven. Maar hoe vaak en hoe zwaar staat dat niet onder druk. Wie is toch die man?

Kijk maar naar de doeken en de kribbe, zegt Lukas. Kijk maar naar de klederen en het veulen, zegt Mattheus. Vrede op aarde, zongen de engelen. Hosanna in de hemel, roept de schare. Als je kijkt zie je niets bijzonders. Maar als je hoort: dán pas zie het.

Het verhaal is ons zo bekend, gemeente, en de gedachte aan de vernedering die uitloopt op de dood is ons zo vaak doorgegeven, dat het ons moeite kost, om te onderkennen hoe bijzonder dat verhaal van die intocht in Jeruzalem is. Jezus maakt zich op om het Pascha te vieren in Jeruzalem. Hij passeert Betfagé, de plaats waar alle pelgrimgangers die vanuit het oosten komen, zich reinigen. Je betreedt de stad van God niet zomaar. Ook Jezus onderwerpt zich hieraan.

Maar dan, dan neemt Jezus vervolgens zelf de regie in handen van zijn stille tocht naar het hart van Jeruzalem. Hij zelf zal uitmaken hoe Hij Jeruzalem in zal gaan.

Een ezelin moeten de discipelen gaan zoeken. Niet zomaar een. Nee, één die door de Heer zelf al is uitgekozen. Op zijn tocht naar Jeruzalem – omhoog de stad in – geeft Jezus zelf al aan hoe zijn weg van vernedering eruit zal zien. Als we de climax naderen van het levensverhaal van Jezus, als we de ontknoping op ons af zien komen van die geschiedenis van God met de mensen, dan kiest Jezus voor een weg die uniek is, op een wijze die nog nooit door iemand is gegaan.

Zó dicht bij de mensen, en zó laag bij de grond. Zó gewoon, maar daarin ook zó bijzonder. Op een ezel waar nog nooit iemand op gereden heeft en die nog niet eens van hemzelf is.

Deze koning komt niet hoog te paard, zoals de koningen en keizers van de wereld dat gewoon zijn te doen. Geen vertoon van macht en aanzien. Niet aan het Hof van Herodes is hij geboren, maar in een kribbe. Niet met wagens en ruiters komt hij Jeruzalem binnen, maar op een ezel. Een simpel lastdier. Zacharia had het al verwacht: Juich Sion, Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde! Je koning is in aantocht, bekleed met gerechtigheid en zege. Nederig komt hij aanrijden op een ezel. Wie is toch die man?

En de mensen aan de kant van de weg, ze hebben het door. De meesten van hen, zo vertelt Mattheus, spreiden hun mantels op de weg uit, als een onmiskenbaar bewijs van eer. Hier komt dan wel geen machtige keizer, hoog te paard gezeten. Hij is wél een koning. Een heel bijzondere zelfs. De zoon van David, roepen ze. En ze herkennen in Hem de door Zacharia aangekondigde Messias.
God, almachtig, Hosanna, Hosanna – het golft door de straten, als een wave van geluid. Hosanna. Hier, in de straten van Jeruzalem, wordt het een uitbundige vreugdekreet. Allemachtig, kijk eens – hier komt onze Messias. Hij zal ons verlossen. Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer. Nou Jezus, welkom. We weten wie u bent. Hosanna. Het gezwaai met palmtakken is niet van de lucht. Hier komt Hij. Hosanna. God zij gezegend.

Is er een mooier en hoopvoller begin van de Stille Week denkbaar, gemeente, dan ons aan te sluiten bij deze belijdenis? Jezus, u bent onze koning. U bent de profeet op wie we gewacht hebben. De menigte is opgetogen. We mogen meezingen met de mensen van toen, dat Jezus onze koning is.

De mensen in Jeruzalem. We voelen ons tussen hen in staan. Wat heerlijk om zo uit te roepen dat deze Jezus nu de mens is van wie de wereld, van wie wij het moeten hebben. Een mooier aanloop naar het Paasfeest is niet denkbaar. Hosanna, in de hoge. Verheugt u, want bij u is heden de Heiland binnengereden.

==========

Maar een paar dagen later. In het Mattheus-evangelie niet meer dan enkele hoofdstukken verder. Daar staan ze weer. Daar staan wij weer. De menigte mensen. Mensen als wij. En nu niet langs de straten, maar op een groot plein. En Pilatus zeide: Wat moet ik doen met Jezus, die Christus genoemd wordt? Zij allen zeiden: Hij moet gekruisigd worden. Ongelooflijk: een paar dagen geleden nog: Hosanna. En we zongen mee.

Wat is er toch gebeurd, in die paar dagen. Waren de mensen veranderd? Nee, het waren dezelfde mensen, die even tevoren met palmtakken hadden gezwaaid en Hosanna hadden geroepen. Was Jezus veranderd? Nee, ook niet. Zijn wij veranderd. Nee, ook niet. Wat was er dan gebeurd?

Niets. Eigenlijk niets.

Maar dat is nu juist de oorzaak van deze omwenteling. Die Gezalfde, Die Profeet, die Koning, die Messias, die lijkt niet alleen kwetsbaar. Hij is het ook. Die Jezus, die koning op een lastdier die dóet niet alleen nederig. Hij is het ook. God onder de mensen, in een kribbe, op een ezel, aan een kruis. God onder de mensen. Ja, zo’n koning, wat hebben we daar nu aan? Weg met Hem. Kruisig Hem.

Wie is toch die man? De oervraag van ons christelijk geloof. Midden tussen het roepen van de menigte – de ene dag Hosanna en de andere dag ‘Kruisig Hem’ – midden tussen die mensen, horen we vraag: Wie is toch die man waaraan ons geloof hangt? Wie is toch die man die ons in beweging zet en op de been houdt? Wie is toch die man om wie we hier vanmorgen bij elkaar gekomen zijn? Wie is toch die man die de komende Stille Week miljoenen mensen op deze wereld meeneemt op de weg die God in deze wereld gaat?

Dat is Jezus, de profeet uit Nazareth in Galilea. Meer is er niet te zeggen. Een kwetsbaar mens op weg naar zijn kruis, die zien we deze week. Maar we hóren daarin ook nog iemand anders. God zelf, die ervoor gekozen heeft zich in deze mens te laten kennen. En daarom wordt het na Goede Vrijdag ook weer Pasen. Palmpasen is nog maar het begin. Amen.