Preek 27 Maart 2011

Gemeente van Jezus Christus
Toen ik in Amsterdam woonde had ik een vriendin, een studiemaatje. Dat was erg leuk, we studeerden allebei psychologie en we spraken veel met elkaar.
In de zomer ging zij op reis naar Zimbabwe. Toen zij terugkwam was zij helemaal ontdaan. Zij was daar het land ingetrokken, het was in die zin een stevige dame die niet bang was.
En ze was daar in een dorpje gekomen, wat heet een dorpje, een gehucht, waar de mensen tien kilometer moesten lopen om aan water te komen. 10 km, 2 uur heen, 2 uur terug, in Afrika, in de hitte.
Mijn vriendin, zij was ontdaan. Niet vanwege de armoede, maar vanwege het levensgeluk dat zie bij die mensen vond. De vrouwen, zo vertelde ze mij, gingen zingend op weg, en uren later kwamen zij terug, moe, stoffig zingend met een grote lach op het gezicht. Hoe kon dat?
Terwijl zij in Amsterdam in al haar rijkdom, altijd zat te tobben met zichzelf, met vrienden, vriendinnen, met haar leven.
Het was als was haar een spiegel voorgehouden door het leven zelf. Dat een mens niet arm is door wat hij of zij niet heeft of wel heeft.
Maar hoe je in het leven staat.
De vrouwen bij de bron.

Het verhaal dat wij hebben gelezen is een typisch bijbelverhaal.
Waarom typisch?
In de eerste plaats omdat het een heel gewoon verhaal lijkt. Jezus heeft dorst, komt bij een bron en heeft een interessant gesprek. Duidelijk is dat Jezus zichzelf aanprijst als ´het levende water´.
Simpel toch. Nou vergeet het maar. Hoe simpeler het verhaal, hoe eenvoudiger de waarheid, hoe moeilijker het is voor ons om te verstaan waar het om gaat.
Een verhaal in de bijbel is nooit zomaar een verhaal. Een bijbelverhaal is geschreven omdat het iets met mij wil, met jou, met ons. De bedoeling is dat het verhaal bij je binnenkomt.
Daar komen we hoop ik zo.

Het verhaal is ook typisch bijbels omdat het de wereld op zijn kop zet.
De onderkant komt boven, de binnenkant komt buiten.
Daar wil ik beginnen.

Het begin ligt bij wat ik zag in een journaalverslag op t.v. Oorlog in Libië. Meerdere malen. De ene dag riepen de aanhangers van Kadaffi `Allah akbhar´. Dat is een overwinningskreet, God is groot betekent het letterlijk. De volgende dag riepen de opstandelingen hetzelfde nadat de tanks van Kadaffi waren vernietigd. Allah Akhbar. God is groot.
De naam van god wordt door iedereen voor zijn eigen karretje gespannen.
En mijn vijand is ook gods vijand, want god staat altijd aan mijn kant.
Dat is niet nieuw. Dat is altijd zo geweest.

Max Havelaar was op t.v.. Over de misstanden en misdaden die de Nederlanders in Indonesië hebben begaan. Op een gegeven moment zie je ook daar een dominee die vol overtuiging van de kansel preekt dat de Nederlanders door god zijn geroepen om van die kleurlingen nog te redden wat er te redden valt. Met de onderdrukking en uitbuiting werden ook de bijbels gebracht.
God voor je karretje spannen. God inpassen in jouw geloof, jouw ideologie, jouw overtuiging.

Hetzelfde zie je in de bijbel, in het eerste testament, vergis je niet. Overal waar daar gestreden wordt wint Israël uiteindelijk met de hulp van god.
Het boekje Esther valt daarin erg op, want daar wordt de naam van God geen enkele keer genoemd. En toch staat het in de bijbel. Dat ´Woord van God´.

Je ziet dat in al die verhalen dat god de partij kiest van Israël. En tot op de dag van vandaag zie je in Israël dat daar Joden zijn die menen dat ze het uiverkoren volk van God zijn en daarom gerechtigd om van gewone Palestijnse boeren hun land af te pakken, een muur te bouwen die hen verhindert naar hun land te kunnen om het te verbouwen, naar het ziekenhuis met hun zieken, hun waterputten dicht te gooien en noem maar op. Allemaal in naam van God.
En voor alle duidelijkheid de andere kant begaat evenzeer moord en doodslag in de naam van god.
De bijbel is in die zin een nationalistisch boek van Israël. Het zijn de Israëlieten die de gebeurtenissen zo beschrijven dat ze god aan hun kant hebben staan.
Net als die ds in Max Havelaar, net als die Libiërs, net als die Amerikaanse presidenten die roepen God bless America.
De bijbel is een nationalistisch boek.
En je ziet het ook terug in onze tekst van vandaag waar Jezus de woorden in de mond worden gelegd dat hij zegt tegen de Samaritaanse vrouw, jullie weten niet wat jullie aanbidden, wij weten dat wel. Wij tegenover zij. In de mond van Jezus.

Jezus gaat naar Samaria. Hoe zat dat in die tijd. Israël bestond uit 12 stammen, zoals wij 12 provincies hadden. Er kwam ruzie. 2 stammen scheiden zich af. Niet alleen nationaal, ook religieus. Alleen, het lastige was het waren wel Joden. Maar ze erkende niet het gezag van de politiek en van de religie van de 10 stammen. Dat was nog één, net als nu in Iran, politiek en geloof samen aan de macht.
Die Samaritanen ze hadden geen boodschap aan de tempel, het Vaticaan van de religieuze macht. En je weet hoe het gaat, wie je het meest nabij is maar toch verschillend kan je het slechtst verdragen.
Het was voor iemand uit het tienstammenrijk eigenlijk onvoorstelbaar dat hij iemand uit het 2 stammenrijk ook maar zou aanspreken.
Zoals de mensen in het dorp van mijn vader hem door de weeks wel groeten, maar s ´zondags hem volstrekt negeerden en de andere kant opkeken omdat hij in hun ogen een goddeloze was die niet ter kerke ging. Zo lag het.
Afkeer.
Jezus spreekt de Samaritaanse aan en doorbreekt daarmee een taboe.
Als je kijkt hoe het pak hem beet 50 jaar geleden hier ging tussen hervormd en gereformeerd, dan hebben we tenminste toch wat geleerd.
En nog meer. In een land, een cultuur waar de man het in het maatschappelijk leven voor het zeggen heeft daar zou een man nooit, maar dan ook nooit een vrouw om water vragen. Hij zou zijn dorst verbijten.

Weet je, eigenlijk doen wij vaak hetzelfde. Op onze manier.
Wij verbijten liever onze dorst dan dat wij vragen wat we verlangen.
Ik zal u een voorbeeld geven uit mijn andere werk.
Ik geef relatietherapie. Stellen bij wie het huwelijk op de klippen loopt maar als een laatste strohalm dan toch maar zeggen, we hebben niemand nodig.
Bij ieder stel, dat meen ik echt, en bijna in iedere bijeenkomst draait het om hetzelfde. Dat de ene partner zo verlangt naar de ander. Zowel de mannen als de vrouwen. Maar niet meer weet hoe de ander werkelijk te bereiken. En zich daarom liever verbijt dan te zeggen ´ik heb je zo nodig´.
Dat is echt waar, je mag het straks thuis proberen elkaar aankijken en dan zeggen ´ik heb je zo nodig´.
Zie je het al voor je heren, jij zegt tegen je vrouw ´ik heb je nodig´. Dat doen wij mannen niet, daar houden wij niet van.
En dan zie ik de dames al knikken, wij kunnen dat wel zeggen. Ja, ja, maar kan je het ook zo zeggen dat je je man niet claimt, niet opeist, maar het aan hem laat.
De meeste mannen zijn bang voor hun vrouw, dat geven we natuurlijk niet toe, dat is niet waar ook al is het zo, maar de meeste mannen zijn bang voor hun vrouw, omdat zij hem altijd op de nek zit. Dan krijg je verwijten naar je hoofd, dan trek je je terug. Dan krijg je nog meer verwijten en zo ontstaat een machteloze dans.
Waarin je beiden niet meer laat zien dat je de ander nodig hebt omdat je van hem of haar houdt, dat je hem of haar nodig hebt.
Genoeg over de huwelijkse genoegens.

Je ziet het niet alleen in liefdesrelaties, ook tussen vrienden, vriendinnen. Ook op het werk.
Problemen op de werkvloer ontstaan vaak omdat mensen niet durven uitspreken waarin de ander tekortschiet. Omdat je het gevoel hebt dat je meteen de ander dan bekritiseert. En dan loop je het risico dat je het terugkrijgt op je bordje.
Wij zijn nauwelijks in staat om elkaar op een open en directe manier te bevragen. Het wordt heel snel een strijd. Jouw gelijk tegenover het mijne. En blijf van mijn terrein.

Terug naar het verhaal.
Er komt een vrouw bij de waterput, het is het zesde uur, dat is omstreeks de middag, het heetste van de dag. Niemand haalt dan water want het is dan zo snotter heet dat al je energie uit je wegstroomt. Overal rond de middellandse zee hou je rond het middaguur siësta, je gaat liggen op je bed, op de bank maar in ieder geval in de schaduw tot de hitte weer voorbij is.
Waarom deze vrouw dan niet?
Waarom deze vrouw dan niet.
Misschien heel praktisch, we horen even laten dat ze al heel wat mannen heeft versleten. Een soort Elisabeth Taylor.
Misschien wordt ze zo wel gezien ´ze is de spermabank van het dorp´. Want zo hard wordt het dan gespeeld. Afgeschreven.
Misschien wordt ze als ze ´s ochtends zou gaan zo met de nek aangekeken dat ze zich dood en dood eenzaam voelt. Dan maar liever alleen.
Alleen zijn is minder erg dan eenzaam zijn.

Misschien daarom dat Jezus alle taboes doorbreekt. En zich er niet aan stoort dat het een Samaritaanse is, van het tweestammenrijk, van die andere,
en dat het een vrouw is.
Misschien omdat hij niet bang is om te zeggen ´ik heb je nodig. geef mij te drinken, les mijn dorst.´
Misschien omdat hij niet bang is om te zeggen ´ik heb je nodig, neem mijn liefde, drink van mij, ik ben het levende water. ´
Om je liefde te kunnen geven, wie wil dat niet, heb je een ander nodig.
Om mijn verhaal te vertellen heb ik jullie nodig.

Dat bedoel ik met typisch bijbels, de boel wordt ondersteboven gegooid.
Jezus loopt als een olifant in een porseleinkast door de taboes heen.
Niet om de zaken overhoop te halen.
Maar omdat zijn angst niet bepaalt wie hij is.
Omdat hij de moed heeft om zich te laten zien.

Aan de buitenkant kunnen wij ons allemaal wel redden.
We hebben alles, alles. Je hoeft je koelkast thuis maar open te maken om te zien waarvan je leeft.
Maar wat moet jij open maken om te zien waarvoor je leeft.
Wat maakt jouw leven rijk, of moet ik zeggen, wie maakt jouw leven rijk, zinvol

Mijn studievriendin, zij had ook alles. Met koelkast en al.
Maar ze moest naar Afrika, naar de vrouw bij de bron om te ontdekken dat wat ze werkelijk van node had. Niet de buitenkant is. Maar de binnenkant.
Dat je levensvreugde niet wordt bepaald door wat je hebt, waarvan je allemaal kan leven.
Maar waarvoor je leeft. Je binnenkant.

Aan de binnenkant zijn wij allemaal hetzelfde, hongeren we, dorsten we naar liefde, naar aandacht. Naar iemand die om ons geeft, die ons vasthoudt, die ons bemint, ja nog erger die ons kent en ons meer lief heeft dan wij ons zelf lief kunnen hebben.

Jezus zeg ´ik geef je levend water´.
De vrouw zegt ´geef maar op´.
Jezus zegt ´haal je man´
De vrouw zegt ´ik heb geen man´
De vrouw heeft vijf mannen gehad, en de man die ze nu heeft is niet haar man. Is van een ander. Ze heeft er naam mee gemaakt.
Dat is toch wat. Wat is daar toch gebeurd.
We weten het niet, maar ik denk wel dat je kunt zeggen dat deze vrouw dorst naar liefde.

De vrouw, ze herkent in Jezus een man van God. Profeet noemt ze hem.
En dan komt ze op dat andere verschil, van het geloven.
Wij bidden hier met ons tweestammenrijk op onze eigen plaats, onze eigen kerk. U bent van die anderen en bidt in Jeruzalem.
Wij verschillen.

Het antwoord van Jezus is duidelijk, en bedrieglijk eenvoudig.
Het gaat er niet om op welke plek, welke kerk, welk geloof, je bidt tot God.
Het gaat God om mensen die zich tot Hem wenden vanuit hun waarheid en vanuit hun Geest, hun overtuiging, hun enthousiasme.

Het gaat er niet om hoe je het goed doet,
Het gaat er om wat je goed doet.

En wat is je waarheid, je waarheid is niet dat je weet hoe het zit, Allah akbar, God bless America, de waarheid is nooit verbonden met macht,
de waarheid zit binnen is, de waarheid is persoonlijk, is jouw waarheid,
je waarheid is dat wat je ten diepste verlangt en nodig hebt.
Verbondenheid, respect, liefde, warmte, genegenheid, veiligheid, vrede.
Kortom je wilt zelfstandig zijn
en tegelijkertijd verbonden.

Dat is niet eenvoudig, dat vraagt veel oefening.
Vooral veel oefening in openheid, je zelf laten zien.
Maar goed, dat gaat jullie vanmiddag allemaal oefenen.
Door elkaar aan te kijken en te zeggen ´ik heb je nodig´.

Amen.