Preek 2 Januari 2011

Misschien hebt u thuis een kerststal in de kamer. Ook protestanten doen daar tegenwoordig aan. Ik heb deze week nog een paar klassieke figuren gekocht. Een beetje kitscherig, maar dat vind ik juist wel aardig.
Onze voorstellingen van de kerstfiguren zijn vooral beïnvloed door de schilderkunst. Het bezoek van de magiërs aan Maria is door talloze schilders. afgebeeld. De magiërs of wijzen zijn in de overlevering de jonge Caspar, de grijsaard Melchior en de zwarte Balthazar.Talloze schilders hebben hun meesterschap getoond met het fluweel en het goudbrokaat van die drie figuren met hun geschenken, wat een contrast was dat met die schamele stal.
Het waren wel drie geschenken die Matt. noemt, maar waren het ook drie magiërs? Het staat er niet.
Als je in Perzië, het huidige Iran, met zijn drieën de woestijn intrekt, om de duizend kilometer naar Jeruzalem te overbruggen, dan ben je of levensmoe of gek – maar absoluut niet wijs! Alleen grote karavanen maakten een kans om ongedeerd aan te komen.
Het gaat niet om een letterlijk verslag in de evangeliën, maar om iets anders. Matteüs heeft i.t.t. Lucas, een geboorteverhaal van maar één zin en begint dan over de magiërs. Het zijn mensen die het uitspansel afspeuren, sterrenwichelaars. Waar komt de naam ‘drie koningen’ dan vandaan? Dat magiërs in koningen veranderen komt door Psalm 72, het lied dat we zopas gezongen hebben. Verre koningen, verre kusten bieden hem, de Messiaanse koning geschenken aan..

Wat wil Mattheüs met zijn verhaal zeggen? Hem is er alles aan gelegen om duidelijk te maken dat het evangelie van Jezus Messias bestemd is voor de heidenvolkeren, de niet-joden. De volkerenwereld komt direct bij de geboorte in de schijnwerper te staan: de magiërs zijn daarvan de representanten.
En Matteüs kiest voor een ster als wegwijzer. Mensen hebben getobd over de vraag: hoe zat het nu met die ster, was het een komeet of een nieuwe ster. Maar het gaat hier niet om een sterrenkundige, maar om een theologische waarheid.
Als Matteüs over Jezus wil vertellen heeft hij de beschikking over een boek vol licht en sterren: zijn joodse bijbel, ons Oude Testament. Hij put hier voortdurend uit. Matteüs kent de oude visioenen van de profeet Jesaja: ik zie dat de duisternis van een eeuwenlange nacht gaat wijken, ik zie dat Israël een licht opgaat en ik zie de koningen van de volkeren opgaan naar dat licht. Op hun kamelen zie ik hen komen, goud en wierook brengen zij mee.
Matt. wilde zijn evangelie beginnen met dat stralende visioen van Jesaja: koningen opgaand naar Israëls licht. Laat één ster, een onaanzienlijk teken flonkeren boven de rampzaligheid.

De magiërs komen uit het Oosten, ‘uit zo verren land’ zingen we met de woorden van een bekend kerstlied. Het oosten is het gebied waar Abraham vandaan kwam. Uit Oer, Ur der Chaldeeën. En Oer, zou je kunnen zeggen, is wat verbonden is met oeroud, met traditie en cultuur, dat wat wij mensen hebben opgebouwd, hoe wij ons staande wisten te houden temidden van de machten en ons oriënteren op de sterren en de machthebbers. Oer staat symbool voor onze gewoontes, ons eigen kunnen, hoe wij onszelf redden en het maken.
Toch gaat ook daar mensen soms een licht op en komen ze in beweging. Zo is het begonnen met Abraham zelf: hij trekt weg uit die oerverbanden en ontdekt een nieuwe God, die vooruit trekt en de weg wijst naar een nieuw land en een nieuwe toekomst. Niet meer vastgeklonken aan het verleden, niet meer dichtgetimmerd in het heden, maar geroepen tot de toekomst. Een weg gaan, in vertrouwen en op hoop van zegen: verlangend naar een nieuwe wereld, waar andere waarden gelden en niet het recht van de sterkste geldt, maar de uitgetelde en de weerloze op adem komt en recht gedaan wordt.
De wijzen uit het Oosten gaan diezelfde weg. Zoals Abraham. Kinderen van Abraham zijn zij, verre zonen van de vader van alle gelovigen.
Het gaat Matteus, denk ik, om het contrast tussen het vragende zoeken van de magiërs en de onbeweeglijkheid van de gevestigde orde, van het oeroude, de macht en de traditie. De vreemdelingen komen in beweging, maar in Jeruzalem zijn de machtigen gezeten die met geen stok, ook niet door een ster van hun plaats te krijgen zijn.
Want ook al weten die magiërs een hoop over de wetten van de sterren en de banen van de planeten, zij weten vooral, dat er altijd gaten zitten in alles, wat een mens weet. Zo zien zij niet alleen de sterren, maar ook al het zwarte ertussen – en ontdekken daarom ook ineens een nieuwe ster. En omdat ze over dit nieuwe lichtje nog niets weten, vertrekken ze, om er anderen naar te vragen. Wijsheid groeit niet waar iemand eenzaam in het donker van zijn kamer over boeken zit gebogen. Wijsheid groeit daar waar mensen door een nieuwe ervaring onrustig worden en samen op zoek gaan naar antwoorden – omdat de fundamentele vragen van het leven hen niet koud laten.
Op deze zoektocht zijn twijfels, omwegen en vergissingen geen probleem maar juist goed, omdat ook zij weer nieuwe kansen voor nieuwe vragen en nieuwe antwoorden inhouden.
Zo maken ook onze pelgrims eerst een gevaarlijke fout. Ze belanden op een plek, waar Jezus juist helemaal niet te vinden is, in het Koninklijke paleis te Jeruzalem. Maar, ook al brengen zij zichzelf en zelfs Jezus daardoor in gevaar, ze krijgen wel de goede richting gewezen.
Wijsheid begint daar, waar mensen aan het oeroude geen genoeg meer hebben en onrustig worden. Wijsheid begint daar, waar mensen doorvragen en dieper willen zien. Volgens mij laat Mattheus daarom zijn wijze pelgrims sterrenkundige zijn. Sterrenkundigen zijn eraan gewend, over de horizon heen te kijken naar het verste, meest mysterieuze wat de schepping ons kan bieden. Zij kunnen zich laten leiden – zonder vooraf al te weten, waar naartoe het gaat, maar wel in het vertrouwen, dat God hen hun doel laat bereiken. Daarmee stellen zij dit doel en de wil van God boven hun oeroude zekerheden, veiligheid en plannen voor de toekomst. Zij kunnen weg-denken. Weg-denken van alles, wat wij als mensen vaak het meest belangrijk vinden, onze eigen interesses, plannen, carrières en aardse schatten. Zij kunnen God meer gehoorzamen dan zichzelf en de mensen. Want zij weten, dat ten slotte niets over blijft van roem, eer, geld en glans. Wij weten daarom alleen dat zij rijkdommen cadeau gaven aan dit kind – maar helemaal niets over hun carrieres of levenswerk.

Onze wijze pelgrims trekken met rechte rug en opgeheven hoofd door de wereld: niet omdat zij trots of hoogmoedig zijn, maar om Gods ster niet uit de ogen te verliezen. Aan het einde van hun tocht slaan zij echter hun ogen neer en buigen zij diep: niet uit treurigheid of twijfel, maar om vol verwondering en vreugde dit kind van God te aanbidden. Want zij weten, dat niet de ster, maar Christus zelf de ware bron van licht is, omdat in Hem het licht van God op aarde is verschenen.
De magiërs willen het kind eer bewijzen, aanbidden, daartoe zijn ze de ster gevolgd. Dat is het doel van hun reis. Aanbidden, dat is geen woord dat voor op onze tong ligt. Aanbidden, dat is jezelf ter aarde werpen, door de knieën gaan.
Het is jezelf gelijkmaken met het stof. Wanneer een koning zich gelijkmaakt met de grond, dan is dat een hele smak. Wijzen, geleerden, heersers zijn geneigd zich te verheffen, zich groter te maken. Je kunt duidelijk zien dat ze er zijn. Aanbidden is iets geks, het is jezelf klein maken, kleiner en kleiner tot het kleine zichtbaar wordt: een kind, iemand die nog niemand is. De magiërs maken iets zichtbaar dat nog niet zichtbaar is in de wereld van koningen en keizers: de pasgeboren Koning van de joden. De magiërs zijn gekomen om het kleine te vergroten.
Herodes is de contrastfiguur. Bij hem worden de allerkleinsten het kind van de rekening.
Dat moet openbaar worden en daarom laat de evangelist de ster een omweg maken. Het onrecht moet aan de kaak gesteld worden. Toen men ooit aan Martin Luther King vroeg waar hij de moed vandaan haalde voor zijn eerste grote tocht, want hij wist toch dat hij opgewacht zou worden door de bajonetten, antwoordde hij: alleen op deze wijze worden de dingen, die zij geheim willen houden, openbaar. Wat de magiërs deden, zichtbaar maken wat nog onzichtbaar is, verheffen wie klein is, zal Jezus’ levensprogramma worden. De magiërs geven het kind hun goud ten geschenke opdat de wereld voortaan niet langer om het goud zal draaien maar om Hem. De wierook is symbool van hun aanbidding, van hun overgave. Aan die twee geschenken uit de profetische traditie voegt Matteüs er veelbetekenend nog eentje toe: mirre. Mirre wordt gebruikt bij het balsemen van de doden. Een doodskruid is het. In het volksgeloof is het vaak de derde, de zwarte koning die dit geeft. Beter dan de anderen weet Balthazar, weten zwarte mensen in Amerika, in Afrika, overal op aarde wat lijden is. Balthazar zalft de pasgeborene aan het begin van zijn weg, die een lijdensweg zal zijn.

Vanmorgen zijn de magiërs onze leermeesters. Zij wijzen ons de weg van de aanbidding, van het bewijzen van eer: zichtbaar maken wat nog onzichtbaar is, verheffen wat of wie onder de voet gelopen wordt. Weg denken, door de horizon kijken, zoekend op weg durven gaan, het oeroude achter durven laten.
Vertrouwend op het Licht dat is gekomen om de duisternis voorgoed te verlichten!